Wit licht schijnt weinig subtiel en steriel in de veel te lange gangen van het rusthuis. Wanneer ik een verzorgster kruis, knikt ze goedkeurend alsof elk bezoek is per definitie ook opbeurend. De deuren van de kamers staan open. Ik probeer er zonder binnen te kijken langs te lopen maar faal. Vaal en vreugdeloos zijn de beelden van oude mensen die ooit de weelde kende nog te kunnen wegwandelen uit deze ellende. Ik groet vriendelijk de treurige stoet aan afscheidnemenden en zieken die tussen hun relieken tot stilstand lijken te komen of in het beste geval hun dagen voor het raam verdromen. Wanneer ik tenslotte voor de deur van oma sta, zit in mijn neus de geur van voorgoed voorbij of toch bijna. Het schemert in haar kamer zoals in haar hoofd. Er zit in haar een mist die zomaar herinneringen rooft. Een bordenwisser die als een willekeurige beslisser ongevraagd wegvaagt wat ze eigenlijk niet kan missen. Ze staart door het raam en reageert amper als ik haar koosnaam zeg en een hand op de hare leg. Ze zucht en vlucht verder in naar buiten kijken zonder te zien. Elk bezoek opbeurend? Misschien. Het volle bord voor haar met eten is ze duidelijk vergeten alsof ze niet meer zou weten hoe je daar moet aan beginnen. Ik zoek naar zinnen die een brug kunnen slaan en ga ostentatief voor haar staan. Ze kijkt me even angstig aan maar dan naar een plek achter mij en plots klaart haar gezicht open tot blij. Ze herkent iemand uit een lang verleden die vast ooit onderdeel was van haar gebeden en besluit mij te negeren en alleen de onzichtbare gast nog aandacht te besteden. Ze vraagt aan de mens die ik niet zie hoe het nog gaat met die en die. Ik voel me even volledig verloren, maar om haar niet te storen ga ik zitten en kijk zwijgend naar haar. Wanneer is die god van haar met haar klaar? Plots staat ze recht en reikt mij een arm aan. Zullen we wat wandelen gaan? En noemt dan mijn naam. We schuiven samen de lange gangen op en neer. Dit keer was ze nog niet voor altijd weg. Dit keer kwam ze nog weer.
dinsdag 11 augustus 2020
maandag 10 augustus 2020
Post voor niemand 9
Het is heet. Heet als bloed. Voor bloed is 36° goed, maar voor lucht te warm. Mama neemt me stevig bij de arm. Het asfalt plakt onder mijn voeten. Ik wil niet stappen maar het is van moeten. We zijn in het land waar de maan altijd op half wil staan. Halfvol of halfleeg in zo’n vraag waarop ik nog nooit een antwoord kreeg. Alsof sommige vragen geen antwoord verdienen of dat mama zich er liever niet wil aan wagen. Asfalt wordt nu zand, een soort strand rond een meer. Het zand doet zeer en brandt. Mama zegt dat ik zeur en noemt me teer. Het klinkt niet als in teerbeminde maar als een teleurstelling dat ik het juiste gedrag maar niet wil vinden. Aan de waterlijn zegt ze dat we er eindelijk zijn. Ze zucht en gooit een handdoek in de lucht. Als die landt zet ze mij op de rand en kleedt mij uit tot naakt. Ze smeert mij in met iets dat naar kokos ruikt maar naar vieze vis smaakt. Als ze het smeren staakt trekt ze mij een vodje zwembroek en zwembandjes aan. Ze zegt iets van ‘speel maar’ en ‘te ver’. ‘Niet’ heb ik niet verstaan. Als ik het zand van tussen mijn billen klop, glimlacht ze vermoeid en steekt onnavolgbaar haar haren op. Dan leest ze zich zoek in een boek en laat mij over aan mij. Vrij loop ik weg van haar en het water. Zwemmen is misschien voor later maar eerst wil ik weg van dat kanon. Weg van die beukende zon. Ik zie een meisje met op haar badpak spatten van een te snel gesmolten ijsje. Ook zij lijkt van haar moeder los en samen drentelen we naar het bos. We geven elkaar zweethandjes en doen alsof onze zwembandjes vleugels van libellen zijn. Het zachte mos is zo koel en fijn dat we ons leggen en voordat we slaap wel kunnen zeggen voelen hoe dromen loom in ons naar binnenstromen. Zo verglijdt lange tijd, groeien de schaduwen van de bomen en zakt de zon naar de horizon. Het meisje begint plots te huilen. Ze wil hier niet meer schuilen. Eens uit het bos laat zijn mijn hand los en rent bij mij vandaan. Aan het water zie ik mama staan. Ze roept op hoge toon mijn naam. Wel twintigduizend keer. Haar ogen dwalen over het meer. Ze dacht vast dat ik daar al die tijd te dobberen lag. Ik lach want ze zoekt totaal verkeerd. Ik loop de weg terug, tik haar zachtjes op haar rug en glunder: Heb jij nooit verstoppertje geleerd? Ze huilt. Ze lacht. Ze neemt me in haar armen zo hard dat ze me haast versmacht. Het doet een beetje pijn. Zo heet als bloed. Echt gezond kan dat toch niet zijn.
zaterdag 8 augustus 2020
Post voor niemand 8
Met een kind op de arm en een ander aan de hand, aanhoort ze de non die eerst nog mild begon maar nu is aanbeland bij het harde verdict: “Voortaan bent u ongeschikt en dit ten gevolge van uw scheiden. Gelieve voortaan deze eerzame Katholieke instelling dan ook te mijden. Wij doen dit niet van harte maar het moet. Het ga u goed.” De moeder verlaat ten gevolge van een veranderde burgerlijke staat voorgoed het ziekenhuis waar ze zich jaren als verpleegster thuis had gewaand maar nu blijkbaar enkel nog de man aan het kruis beschaamt. Buiten slaat haar een herfstregen in het gelaat die haar de tranen schenkt die ze veel te gekrenkt niet huilen kan. Dat was het dan. Niet langer een man, niet langer de job van haar dromen om tijdens de oliecrisis mee rond te komen en twee kinderen die haar kansen verminderen om het te redden. In het kleine huurhuis dekt ze voortaan de bedden strak zoals ze in het hospitaal deed en stopt er na het journaal elke avond met volle magen en frisse pyjama’s de kinderen in. Ze is nog jong en veerkrachtig en haar liefde voor zorgen indachtig zoekt en vindt ze werk op een plaats die als beschut bekend staat. Ze pakt er de zotste dingen en de schoonste mensen in. Ze neemt extra werk mee naar huis, zet extra potten op het fornuis voor zij die gul hun liefde geven maar niet altijd mee mogen met het genormeerde leven. Ze toont haar kinderen hoe je in armoede rijk kan zijn door te delen en hoe je wonden kan helen door ze te aanvaarden. Buiten is het nog lang guur en zuur maar binnen is het elke dag een moedig herbeginnen in de hoop ooit haar plek en wat verloren geluk terug te winnen. Ondanks verbanning door kleinburgerlijke oordelen en de harteloosheid van een non is er vast nog wel ergens een plekje in de zon.
donderdag 6 augustus 2020
Post voor niemand 7
woensdag 5 augustus 2020
Post voor niemand 6
dinsdag 4 augustus 2020
Post voor niemand 5
zondag 2 augustus 2020
Post voor niemand 4
Op een zonnige zondag in het jaar één van de coronatijdrekening
en van mijn eigen verbleking van modaal geluk schuif ik mijn schaduw achterna
door de stad die een extra diepe zomerslaap houdt. Alsof ze samen met mij rouwt
om het verlies van alles wat we als te evident hadden beschouwd. Ik word
nergens verwacht, hoef nergens heen. Mijn redenen tot bewegen zijn louter ontsnappen
aan het opgelegd alleen. Mijn voeten besluiten
dat we maar eens afwijken moeten van vertrouwde paden waarlangs ik mezelf al te
vaak heb verraden en leiden me een hoekje om waar ik gebruikelijk niet
kom. De straat oogt dorps en desolaat.
Vergeten zoals die ene van Louis Paul Boon tussen straten die wel weten wat ze
daar liggen te doen. De huizen met groen voor de deuren en krijt op de
plavuizen zijn beschilderd met retrokleuren en geven deze straat een speels en
onschuldig gelaat. Terwijl ik nog sta te dromen hoe fijn het moet zijn om hier
thuis te komen, gaat mijn geheugen met mij aan de haal en beweert in haar eigen
codetaal dat dit is waarvan ik beweerde dat het niet meer bestond. De straat
waar ik tot mijn zes had gewoond en van dacht dat ze door tijd en bouwpromotoren
was weggegomd. Ik zet me op de stoep en roep op wat die jaren in mij hadden gekrast.
Beeld na beeld neem ik een stukje kindertijd vast en zoek uit hoe mijn leven ooit
in deze straat heeft gepast. Ik zie moeder pas gescheiden verschillende
maaltijden bereiden als antwoord op onze kieskeurigheid. Ik zie haar de was
ophangen in een langgerekte tuin met haar lange haren akachoubruin wiegend in
de wind en aan elke broekspijp een jengelend kind. Ik zie de wc-deur op de koer
met een hartje in, een boxerhond en een man met lange manen en een baard voor
een nieuw begin. Ik zie mijn broer zijn hoofd in een wasmand leegbloeden, ik
zie mezelf als peuter die nog niet kon bevroeden dat we nog in veel straten
zouden wonen maar nooit helemaal de goede. Ik zie mezelf gelukkig met rode
gummilaarzen en een bal. Die ik nu in gedachten doorheen de Ernest Solvaystraat
knal. Ik wandel anders uit die straat uit een andere tijd. Veel is verloren.
Maar ook veel kostbaar raak ik voor het leven niet meer kwijt.