Hoewel midden op de dag dringt er weinig licht in het oude
werkhok van grootvader. Spinrag en stofstrepen op de ramen hullen deze plek in
een geheimzinnig halfduister. Rechts in de hoek staat de grote slijpsteen majestueus
te wezen met een air alsof zijn tijdperk nooit voorbij zal gaan. Voor het lange
raam met uitzicht op de groentetuin strekt zich een werkbank uit vol vijzen,
moeren, lampen in alle formaten, oude radio’s en verdwenen jaren aan knutselplezier.
Aan de wand er tegenover hangen als kadertjes
alle instrumenten die grootvader nodig heeft om aan al zijn werk dat provisoire
karakter te geven: restjes van alles. Met een stok teken ik in de aarden grond voor
mijn voeten een mannetje met lange haarpieken en zing over de dag dat het
zonlicht niet meer scheen. Naast mij ronkt de stoof roodgloeiend terwijl de
wind gejaagd door de schouw trekt. Als ik opkijk, zie ik grootvader op het
tuinpad. De tred nog stevig, het genoegen als een uitnodiging in zijn gezicht
gegroeid. In zijn handen, gewikkeld in krantenpapier, de boeksering waarrond
straks feestelijk eigen sla, tomaat en gebakken aardappeltjes zullen worden gedrapeerd
als ode aan het eenvoudige, goede leven. Terwijl de boeksering braadt, delen we
moppen van De Druivelaar en de ons toebedeelde tijd. Achter het hok staat een
oude pruimelaar drachtig van het diepste paars en goudgeel vruchtvlees. We
plukken wat geluk als dessert. Ooit
zullen we zo weer samen zijn. Ooit in de pruimentijd.
In het ouderlijke huis, op de zolder boven de garage was een verlaten
duivenhok waar het invallende zonlicht het immer opwaaiende stof van
betovering voorzag. Met de knieën opgetrokken tot onder de kin en de
armen als een sluitstuk eroverheen geslagen luisterde ik er naar de
afwezigheid van de duiven, naar het geblaat verderop in de wei, naar de
hartslag in mijn keel. Met halftoegeknepen ogen brak ik het zonlicht in
rozige kleuren en liet het dansend stof mij verleiden tot niet
nadenken. Een liggend stilleven dat zachtjes deinde onder het ademen en
dat zich oefende in verdwijnen. Omgeven door zonlicht en verborgen voor
de wereld beeldde ik me dan in zo'n duif te zijn die vanuit deze
tijdelijke geborgenheid en zich bewust van zijn enorme kwetsbaarheid
voorbereidde op de grote vlucht naar al wat wachtte daarbuiten. Moed
verzamelen om het leven onder ogen te komen. Namiddagen bracht ik er
dromend door en eenmaal buiten werden al die dromen vogels voor de kat.
Opgroeien, zo deed ik dat.
Er hing die dagen vaak sneeuw in de lucht. In de onverwarmde veranda
rookte ik dan elke avond mijn laatste sigaret van de dag en dwong mezelf
te denken aan het leven dat mij bij het breken van het water zou
overspoelen. Mijn sigaret zou sissend uitgaan en mijn navel zou volop
blank komen te staan. Maar verder dan dat en enkele naïeve verwachtingen
over het vaderschap kwam ik niet. Ik moest en zou mijn vader
overtreffen, hetgeen zowat de laagste ambitie was die een man zich kon
formuleren. Ik zou een moderne vader zijn, die pamperde en troostte, je
uren op zijn arm zou laten slapen en die de schaduwen uit je kamer zou
verjagen. Ik zou je opvoeden met zachte hand, duizend boeken en humor om
de scherpe kantjes van het leven weg te lachen. Ik zou nooit mijn
frustraties als punaises op jouw pad leggen en proberen voor te doen in
plaats van voor te zeggen. Ik zou een man van mijn woord zijn en niet
zoals mijn vader een man van enkel woorden. En ja, ik heb mijn best
gedaan. Ik heb voor je gezorgd, je eten en al mijn liefde gegeven. Maar
ik heb je niet opgevoed. Nu na 16 jaar weet ik nog altijd niet hoe dat
moet. Maar dat hoeft ook niet. Jij doet dat zelf beter dan goed. Wat ben
je mooi om zien, my sweet sixteen.