maandag 26 oktober 2020

Post voor niemand 11

Eenzaamheid is een hongerig beest dat je zwakheden leest en al wat wankel is opgebouwd erodeert. Het keert de blik naar binnen, naar de dubbele onderkinnen in je gedachten die naar ontkenning smachten maar weten dat het idée-fixen zijn die zich slechts moeizaam laten uitzweten. Onder het gekerm van je zelfmedelijden ontbreekt de tegenstem die wat wankel is stut en je beschermt tegen het eigen grof geschut van zelfverachting. De eeuwige betrachting meer te willen zijn dan wie je bent, miskent je vermogen om ook met weinig talent overeind te blijven.

Eenzaamheid toont je de naakte lijven van mensen wiens geesten elkaar wel kunnen beklijven en de waarheid dat geen mens om jouw aanwezigheid strijdt. Je zoekt weifelend naar woorden die kunnen raken, die verschil kunnen maken tussen leven of de stilte die als herfstkilte tussen je vier muren daalt. Maar je faalt omdat geen enkel van je woorden ooit al liefde bracht. Hooguit brachten ze aandacht en nu en dan een pluim. Een blauwe duim oplichtend in de lege kamer die als een hamer op de nagel van je onvermogen klopt. Tot zelfs ook dat stopt omdat speciaal bij teveel herhaling vervalt tot normaal.

Eenzaamheid is een hongerig beest dat niet wil dat je geneest. Het echoot waarom je alleen bent en dat het eigenlijk je natuurlijke staat van zijn altijd is geweest.

dinsdag 11 augustus 2020

Post voor niemand 10

 Wit licht schijnt weinig subtiel en steriel in de veel te lange gangen van het rusthuis. Wanneer ik een verzorgster kruis, knikt ze goedkeurend alsof elk bezoek is per definitie ook opbeurend. De deuren van de kamers staan open. Ik probeer er zonder binnen te kijken langs te lopen maar faal. Vaal en vreugdeloos zijn de beelden van oude mensen die ooit de weelde kende nog te kunnen wegwandelen uit deze ellende. Ik groet vriendelijk de treurige stoet aan afscheidnemenden en zieken die tussen hun relieken tot stilstand lijken te komen of in het beste geval hun dagen voor het raam verdromen. Wanneer ik tenslotte voor de deur van oma sta, zit in mijn neus de geur van voorgoed voorbij of toch bijna. Het schemert in haar kamer zoals in haar hoofd. Er zit in haar een mist die zomaar herinneringen rooft. Een bordenwisser die als een willekeurige beslisser ongevraagd wegvaagt wat ze eigenlijk niet kan missen. Ze staart door het raam en reageert amper als ik haar koosnaam zeg en een hand op de hare leg. Ze zucht en vlucht verder in naar buiten kijken zonder te zien. Elk bezoek opbeurend? Misschien. Het volle bord voor haar met eten is ze duidelijk vergeten alsof ze niet meer zou weten hoe je daar moet aan beginnen. Ik zoek naar zinnen die een brug kunnen slaan en ga ostentatief voor haar staan. Ze kijkt me even angstig aan maar dan naar een plek achter mij en plots klaart haar gezicht open tot blij. Ze herkent iemand uit een lang verleden die vast ooit onderdeel was van haar gebeden en besluit mij te negeren en alleen de onzichtbare gast nog aandacht te besteden. Ze vraagt aan de mens die ik niet zie hoe het nog gaat met die en die. Ik voel me even volledig verloren, maar om haar niet te storen ga ik zitten en kijk zwijgend naar haar. Wanneer is die god van haar met haar klaar? Plots staat ze recht en reikt mij een arm aan. Zullen we wat wandelen gaan? En noemt dan mijn naam. We schuiven samen de lange gangen op en neer. Dit keer was ze nog niet voor altijd weg. Dit keer kwam ze nog weer.

maandag 10 augustus 2020

Post voor niemand 9

 Het is heet. Heet als bloed. Voor bloed is 36° goed, maar voor lucht te warm. Mama neemt me stevig bij de arm. Het asfalt plakt onder mijn voeten. Ik wil niet stappen maar het is van moeten. We zijn in het land waar de maan altijd op half wil staan. Halfvol of halfleeg in zo’n vraag waarop ik nog nooit een antwoord kreeg. Alsof sommige vragen geen antwoord verdienen of dat mama zich er liever niet wil aan wagen. Asfalt wordt nu zand, een soort strand rond een meer. Het zand doet zeer en brandt. Mama zegt dat ik zeur en noemt me teer. Het klinkt niet als in teerbeminde maar als een teleurstelling dat ik het juiste gedrag maar niet wil vinden. Aan de waterlijn zegt ze dat we er eindelijk zijn.  Ze zucht en gooit een handdoek in de lucht. Als die landt zet ze mij op de rand en kleedt mij uit tot naakt. Ze smeert mij in met iets dat naar kokos ruikt maar naar vieze vis smaakt. Als ze het smeren staakt trekt ze mij een vodje zwembroek en zwembandjes aan. Ze zegt iets van ‘speel maar’ en ‘te ver’. ‘Niet’ heb ik niet verstaan. Als ik het zand van tussen mijn billen klop, glimlacht ze vermoeid en  steekt onnavolgbaar haar haren op. Dan leest ze zich zoek in een boek en laat mij over aan mij. Vrij loop ik weg van haar en het water. Zwemmen is misschien voor later maar eerst wil ik weg van dat kanon. Weg van die beukende zon. Ik zie een meisje met op haar badpak spatten van een te snel gesmolten ijsje. Ook zij lijkt van haar moeder los en samen drentelen we naar het bos. We geven elkaar zweethandjes en doen alsof onze zwembandjes vleugels van libellen zijn. Het zachte mos is zo koel en fijn dat we ons leggen en voordat we slaap wel kunnen zeggen voelen hoe dromen loom in ons naar binnenstromen. Zo verglijdt lange tijd, groeien de schaduwen van de bomen en zakt de zon naar de horizon. Het meisje begint plots te huilen. Ze wil hier niet meer schuilen. Eens uit het bos laat zijn mijn hand los en rent bij mij vandaan. Aan het water zie ik mama staan. Ze roept op hoge toon mijn naam. Wel twintigduizend keer. Haar ogen dwalen over het meer. Ze dacht vast dat ik daar al die tijd te dobberen lag. Ik lach want ze zoekt totaal verkeerd. Ik loop de weg terug, tik haar zachtjes op haar rug en glunder: Heb jij nooit verstoppertje geleerd? Ze huilt. Ze lacht. Ze neemt me in haar armen zo hard dat ze me haast versmacht. Het doet een beetje pijn. Zo heet als bloed. Echt gezond kan dat toch niet zijn.

zaterdag 8 augustus 2020

Post voor niemand 8

 Met een kind op de arm en een ander aan de hand, aanhoort ze de non die eerst nog mild begon maar nu is aanbeland bij het harde verdict: “Voortaan bent u ongeschikt en dit ten gevolge van uw scheiden. Gelieve voortaan deze eerzame Katholieke instelling dan ook te mijden. Wij doen dit niet van harte maar het moet. Het ga u goed.” De moeder verlaat ten gevolge van een veranderde burgerlijke staat voorgoed het ziekenhuis waar ze zich jaren als verpleegster thuis had gewaand maar nu blijkbaar enkel nog de man aan het kruis beschaamt. Buiten slaat haar een herfstregen in het gelaat die haar de tranen schenkt die ze veel te gekrenkt niet huilen kan. Dat was het dan. Niet langer een man, niet langer de job van haar dromen om tijdens de oliecrisis mee rond te komen en twee kinderen die haar kansen verminderen om het te redden. In het kleine huurhuis dekt ze voortaan de bedden strak zoals ze in het hospitaal deed en stopt er na het journaal elke avond met volle magen en frisse pyjama’s de kinderen in. Ze is nog jong en veerkrachtig en haar liefde voor zorgen indachtig zoekt en vindt ze werk op een plaats die als beschut bekend staat. Ze pakt er de zotste dingen en de schoonste mensen in. Ze neemt extra werk mee naar huis, zet extra potten op het fornuis voor zij die gul hun liefde geven maar niet altijd mee mogen met het genormeerde leven. Ze toont haar kinderen hoe je in armoede rijk kan zijn door te delen en hoe je wonden kan helen door ze te aanvaarden. Buiten is het nog lang guur en zuur maar binnen is het elke dag een moedig herbeginnen in de hoop ooit haar plek en wat verloren geluk terug te winnen. Ondanks verbanning door kleinburgerlijke oordelen en de harteloosheid van een non is er vast nog wel ergens een plekje in de zon.

donderdag 6 augustus 2020

Post voor niemand 7

Terwijl God hierboven de oven alvast voorverwarmt op 90 graden Fahrenheit neem ik mijn tijd en de digitale krant uit haar mand. In Beiroet slaan honderdduizenden zich het roet uit de kleren en  ruimen er wat er aan hoop en leven aan diggelen is geslagen nadat een hele wijk de lucht is in gevlogen. Andermans oorlogen slaan hier keer op keer de veerkracht neer. In ons eigen favoriete slagveld aan de Noordzee wachten we ondertussen gedwee op hoe corona en hitte zullen golven en huilen zachtjes met de weergekeerde wolven mee. Dit merkwaardige volk van brave zich schikkers en verdomde vertikkers scheurt lachend de blaadjes van de Druivelaar en telt de dagen die partijbonzen en ego’s nu al vechten om de knikkers. Het virus knabbelt ondertussen de steunpilaren van de economie op, stuurt steeds meer mensen naar de dop en laat bedrijven zichzelf failliet uit het handelsregister schrijven. Maar geen haast, als je inkomen als politieker verzekerd is, kan je gerust lang wachten tot de wind voor jou gunstig blaast. In Polen waar onverholen de vrouwenrechten bij het huisvuil worden gezet zijn de renners weer even aan zet. Te lang opgesloten geweest deed een sprinter er de deur toe voor een ander, ook een Nederlander, zodat die over de dranghekken schoot en een directe dood slechts op een haar na miste terwijl hij een andere man mee richting ziekenhuis griste. Groene wegen hebben er gisteren een zwart randje gekregen. Buiten stijgt de temperatuur nu uur na uur  en smelt de aandacht voor het opwarmend klimaat verder weg. Schaduwen groeien terwijl ik de digitale krant weer in haar mand leg. Een hete herfst is al onderweg.

woensdag 5 augustus 2020

Post voor niemand 6

Een jeugdige schone flankeert mij flanerend door de stad. Misschien had ze het zelf liever anders gehad maar ik geniet van de beperking die corona biedt waardoor ze in mijn bubbel zit geborgen. We delen de morgen en alles wat er onderweg in ons opkomt. Haar haren dansen zonblond over haar rug en bij een brug over het Dijlewater droomt ze hardop over later. Dan wil ze een opa zijn die geniet van zitten op een bank in het park of een oma waaraan kleinkinderen vragen te vertellen over haar dagen toen ze de wereld rondtrok op zoek naar vervullender avonturen dan overleven in tijden van een avondklok. We dwalen langs het plein van pater Damiaan, vullen gretig elkaars weetjes aan en laten onze dierbare herinneringen in deze stad in elkaar overgaan. In de Botanique biedt een kunstenares ons beeldhouwwerkjes aan uit ruwe klei die tot stof zullen vergaan maar met een boodschap bij: Deze beelden zitten vol met bloemenzaad, zodat na verval er altijd weer iets bloeien gaat. We laten het in ons bezinken terwijl we kijken naar de ijver waarmee de vissen in de vijver ons happend om eten en aandacht vragen. Maar wat weten wij nu van wat vissenmagen verteren en beseffen dat hoeveel je ook mag leren het altijd slechts een druppel op een hete plaat zal zijn. Zij vindt besef best fijn. In de verzonken tuin zetten we ons schuin tegenover elkaar en glimlachen dankbaar om de tijd die we hier delen. We genieten van hier toerist te spelen en wie we voor elkaar mogen zijn. Een vader en een dochter niet meer klein. Zij op de leeftijd om nog volop te willen tonen wat ze al allemaal kan. Ik een man die net wil tonen wat hij nog allemaal kan. Twee mensen samen onderweg en daar worden we allebei beter van.

dinsdag 4 augustus 2020

Post voor niemand 5

Het is stil in het rijtjeshuis in de straat die net zo doodlopend is als mijn toekomst hier. Zij die dit thuis noemen zijn uit. Het onkruid voor de deur is gewied en voor het eerst in 20 jaar is dat niet door mijn handen geschied. Alsof ze zat te wachten tot ik het toeliet. De deur is open en de kat niet van huis. Als ik haar kruis doet ze alsof ik een vreemde ben. Een dief van verloren tijd. Van restjes ongebruikte zorgeloosheid. Ik kijk naar de lege plekken op de muur waar wij in kaders hebben gehangen en die gapend wachten tot god weet wie of wat me hier zal vervangen. De sporen van mij zitten enkel nog in de gekaleide muren, in de trap waaraan ik uren heb zitten schuren, in verf die zal afbladeren lang voor ik sterf en in de kinderen die blijven en hier nu aan een verhaal zonder mij schrijven. Ik wandel door de kamers en loop verloren in de kamers van mijn geheugen. Lang voordat we verwerden tot leugen, brak ik koterijen af en duivenkoten, bouwde gewillig aan de dromen die uit haar ontsproten en deed wat ik dacht dat hoorde. Maar dat stoorde vooral tot het barstte. De slagen van de verloren liefde zijn altijd de hardste. 
Moe trek ik deur achter me toe en besef om de hoek dat ik in deze straat nooit meer zal thuiskomen. Hooguit nog op bezoek.

zondag 2 augustus 2020

Post voor niemand 4

Op een zonnige zondag in het jaar één van de coronatijdrekening en van mijn eigen verbleking van modaal geluk schuif ik mijn schaduw achterna door de stad die een extra diepe zomerslaap houdt. Alsof ze samen met mij rouwt om het verlies van alles wat we als te evident hadden beschouwd. Ik word nergens verwacht, hoef nergens heen. Mijn redenen tot bewegen zijn louter ontsnappen aan het opgelegd alleen.  Mijn voeten besluiten dat we maar eens afwijken moeten van vertrouwde paden waarlangs ik mezelf al te vaak heb verraden en leiden me een hoekje om waar ik gebruikelijk niet kom.  De straat oogt dorps en desolaat. Vergeten zoals die ene van Louis Paul Boon tussen straten die wel weten wat ze daar liggen te doen. De huizen met groen voor de deuren en krijt op de plavuizen zijn beschilderd met retrokleuren en geven deze straat een speels en onschuldig gelaat. Terwijl ik nog sta te dromen hoe fijn het moet zijn om hier thuis te komen, gaat mijn geheugen met mij aan de haal en beweert in haar eigen codetaal dat dit is waarvan ik beweerde dat het niet meer bestond. De straat waar ik tot mijn zes had gewoond en van dacht dat ze door tijd en bouwpromotoren was weggegomd. Ik zet me op de stoep en roep op wat die jaren in mij hadden gekrast. Beeld na beeld neem ik een stukje kindertijd vast en zoek uit hoe mijn leven ooit in deze straat heeft gepast. Ik zie moeder pas gescheiden verschillende maaltijden bereiden als antwoord op onze kieskeurigheid. Ik zie haar de was ophangen in een langgerekte tuin met haar lange haren akachoubruin wiegend in de wind en aan elke broekspijp een jengelend kind. Ik zie de wc-deur op de koer met een hartje in, een boxerhond en een man met lange manen en een baard voor een nieuw begin. Ik zie mijn broer zijn hoofd in een wasmand leegbloeden, ik zie mezelf als peuter die nog niet kon bevroeden dat we nog in veel straten zouden wonen maar nooit helemaal de goede. Ik zie mezelf gelukkig met rode gummilaarzen en een bal. Die ik nu in gedachten doorheen de Ernest Solvaystraat knal. Ik wandel anders uit die straat uit een andere tijd. Veel is verloren. Maar ook veel kostbaar raak ik voor het leven niet meer kwijt.


zaterdag 1 augustus 2020

Post voor niemand 3

Reggae op de radio. Een ochtendbries speelt met de gordijnen. Het jaar 2020 trek een nieuw blikje maand open en buiten waart iets onzichtbaar dat maar niet wil verdwijnen. Het wordt opnieuw een warme en droge dag, waarin veel van wat mocht ook vandaag niet mag. Op het ritme van de processie van Echternach bewegen gedachten tussen duister en licht, tussen een zorgeloos verlangen en al wat is verplicht. Buiten wachten de solden op onze koopkracht om het leed dat de overconsumptie werd toegebracht te zalven en af te kalven tot geruststelling. Het komt allemaal goed, zolang de economie het maar doet. Buiten wachten terrasjes als oaseplasjes in een uitgedroogd stadsleven dat weigert zich zonder slag of lach over te geven aan de wetten van een virus dat steeds meer het gemoed lijkt te besmetten. Buiten wacht de dag op zij die niet wachten op de dag dat alles weer mag. Op zij die geloven dat in de beperking de meester zich toont, dat een kind zich tot koning kroont met niets meer dan de fantasie die in hem woont. Binnen wachten zij die zich bezinnen of er bij verlies van zoveel vrijheid nog wel iets valt te winnen met buitenkomen. Die dromen van de eenvoud van het oude normaal dat hen toen banaal had geleken maar dat hen ondanks de vele gebreken houvast bood. Het lood in hun schoenen is het niet zich kunnen verzoenen met het idee dat de zandkastelen die we bouwen ook weer worden weggespoeld door de zee. Buiten ruist de stad en zijn al heel wat mensen met zand in de weer. Ik denk dat ik me vandaag maar tot hen bekeer. Wat bouwen, niet om voor altijd te behouden, maar om te zorgen dat ik het niet verleer. Want ooit, ja ooit, kan het weer.

zaterdag 28 maart 2020

Post voor niemand - 2

Nu en dan sluit een deur zich voorgoed. Omdat dat zo goed is. Omdat het goed is geweest en nu niet langer meer. Ook al sloot ze zich ongewild en met de nodige hartzeer. Vaak is het net dan dat er een nieuwe wind gaat waaien die deuren laat openzwaaien. Nieuwe en oude. Deuren die je nooit eerder zag en deuren die je nog niet vertrouwde. Deuren die pas verschijnen als andere verdwijnen.
In het beste geval is het leven één grote deurenkomedie. Met een lach en traan. Waar ook nooit tegelijk alle deuren toe of openstaan. Een spel van omarmen en laten gaan. Een afsluiten van wat niet meer valt te repareren. Maar ook al staat er op de deur 'Laat los en durf te leren' hoeveel keren houden we toch de klink vast? Klinken we ons aan een verlangen dat ons niet langer past? Want van al onze gevoelens gaat angst het diepst. En blijft het langst. Veel voordeuren zijn nu op slot. Velen worden nu zot in hun kot. Maar elk hart heeft nog altijd vier kamers en evenveel deuren. De fantasie in ons hoofd is een poort waarachter zoveel kan gebeuren. Dus ga er binnen en durf beminnen wat je nu nog niet kent. Het is altijd en nooit het goede moment. Durf en denk niet aan voorgoed. Niets moet en ook al is het maar voor even. Elke geopende deur is een welkom zeggen aan het leven.

vrijdag 27 maart 2020

Post voor niemand - 1

Dag zoveel van het nieuwe tijdperk. Dat van de grote inperk. Van anders moeten en anders mogen. Van handen wassen en thuiswerk. Van groeten met de ellebogen.
Nog steeds van u en mij. Alleen even iets minder vrij.
Buiten wuiven de duiven als vanouds, worden nesten gebouwd. Buiten oogt de wereld nog vertrouwd. Maar binnen gaat van alles aan het schuiven. Binnen vier muren rekken de uren zich uit, tikken de minuten ons niet langer op de vingers. Achter gesloten deuren en veilig voor indringers moeten we de dagen anders inkleuren.
Mijn kinderen dragen de dagen. Zonder zeuren, zonder zagen. Doen wat hen wordt opgelegd en nemen afscheid zonder gevecht. Van al wat er wordt geschrapt nu de wereld krampachtig naar een nieuwe adem hapt. Hun hobby's en hun vrienden. Hun optredens waarvoor ze gezwoegd hebben en waarvoor ze applaus verdienden. Hun plannen zijn verbannen voor onbeperkte tijd en vervangen door oefeningen in onzekerheid.
Ze oefenen in geduld. Lachen als de lucht rondom zich met spanning vult en ontladen. Ze blijven ook nu vastberaden. Zichzelf.
Opgesloten in mezelf kijk ik naar hen en ik beken. Zij blijven vrij en tonen mij wat durven leven is. Wen eraan en durf vanuit gemis nieuwe wegen gaan. In mijn oog bungelt een traan waar ik mij niet voor schaam. Ik heb drie schatten en ze dragen mijn naam. En ik hen op handen. Deze dwaze dagen versterken volop de banden.

donderdag 26 maart 2020

Post voor niemand

Er zijn van die tijden dat je geen spiegel nodig hebt. Dat je de krak erin ook zo wel door je zelfbeeld voelt trekken terwijl de stilte rondom je om antwoorden vraagt. Er zijn van die tijden dat je innerlijk kompas op vermijden staat en je handen in de leegte klauwen in de hoop de val af te remmen. Je voelt de vingertoppen van anderen langs de jouwe glijden. Ze strelen vol overtuiging maar kunnen niet stoppen. Er zijn van die tijden dat je naar het kaartenhuis, leven genaamd, staart en met één zucht wegblaast wat je met sussen altijd hebt proberen recht te houden. In je hand de joker die je grijnzend aanstaart en spottend vraagt of je je nog aan een volgende rondje waagt. Er zijn van die tijden dat je de zon wil uitdoen om de sterren beter te kunnen zien en de kleine prins in jezelf te vertellen dat vliegtuigen nu eenmaal gemaakt zijn om niet eeuwig in de lucht te blijven en dat een crash betekent dat je op een nieuwe planeet terecht bent gekomen. Of die ontvankelijk voor jouw dromen is, is weinig waarschijnlijk maar de enige vraag die er toe doet. Er zijn van die tijden dat je een spiegel zoekt, om stuk te kunnen slaan zodat je de scherven kan herschikken en de wereld anders bij je binnenkomt. In behapbare stukjes. In gelukjes en ongelukjes die je lachen doen. Om de schoonheid ervan. Om de eenvoud om ermee om te gaan. Er zijn van die tijden dat je nederlagen moet lijden om daarna op te kunnen staan. Er zijn van die tijden om je aan gedachten als deze te wijden. Er zijn. De rest is dan voor later.

zondag 9 februari 2020

Memories


Hoewel midden op de dag dringt er weinig licht in het oude werkhok van grootvader. Spinrag en stofstrepen op de ramen hullen deze plek in een geheimzinnig halfduister. Rechts in de hoek staat de grote slijpsteen majestueus te wezen met een air alsof zijn tijdperk nooit voorbij zal gaan. Voor het lange raam met uitzicht op de groentetuin strekt zich een werkbank uit vol vijzen, moeren, lampen in alle formaten, oude radio’s en verdwenen jaren aan knutselplezier. Aan de wand er tegenover  hangen als kadertjes alle instrumenten die grootvader nodig heeft om aan al zijn werk dat provisoire karakter te geven: restjes van alles. Met een stok teken ik in de aarden grond voor mijn voeten een mannetje met lange haarpieken en zing over de dag dat het zonlicht niet meer scheen. Naast mij ronkt de stoof roodgloeiend terwijl de wind gejaagd door de schouw trekt. Als ik opkijk, zie ik grootvader op het tuinpad. De tred nog stevig, het genoegen als een uitnodiging in zijn gezicht gegroeid. In zijn handen, gewikkeld in krantenpapier, de boeksering waarrond straks feestelijk eigen sla, tomaat en gebakken aardappeltjes zullen worden gedrapeerd als ode aan het eenvoudige, goede leven. Terwijl de boeksering braadt, delen we moppen van De Druivelaar en de ons toebedeelde tijd. Achter het hok staat een oude pruimelaar drachtig van het diepste paars en goudgeel vruchtvlees. We plukken wat geluk als dessert.  Ooit zullen we zo weer samen zijn. Ooit in de pruimentijd.






In het ouderlijke huis, op de zolder boven de garage was een verlaten duivenhok waar het invallende zonlicht het immer opwaaiende stof van betovering voorzag. Met de knieën opgetrokken tot onder de kin en de armen als een sluitstuk eroverheen geslagen luisterde ik er naar de afwezigheid van de duiven, naar het geblaat verderop in de wei, naar de hartslag in mijn keel. Met halftoegeknepen ogen brak ik het zonlicht in rozige kleuren en liet het dansend stof mij verleiden tot niet nadenken. Een liggend stilleven dat zachtjes deinde onder het ademen en dat zich oefende in verdwijnen. Omgeven door zonlicht en verborgen voor de wereld beeldde ik me dan in zo'n duif te zijn die vanuit deze tijdelijke geborgenheid en zich bewust van zijn enorme kwetsbaarheid voorbereidde op de grote vlucht naar al wat wachtte daarbuiten. Moed verzamelen om het leven onder ogen te komen. Namiddagen bracht ik er dromend door en eenmaal buiten werden al die dromen vogels voor de kat. Opgroeien, zo deed ik dat.


 Er hing die dagen vaak sneeuw in de lucht. In de onverwarmde veranda rookte ik dan elke avond mijn laatste sigaret van de dag en dwong mezelf te denken aan het leven dat mij bij het breken van het water zou overspoelen. Mijn sigaret zou sissend uitgaan en mijn navel zou volop blank komen te staan. Maar verder dan dat en enkele naïeve verwachtingen over het vaderschap kwam ik niet. Ik moest en zou mijn vader overtreffen, hetgeen zowat de laagste ambitie was die een man zich kon formuleren. Ik zou een moderne vader zijn, die pamperde en troostte, je uren op zijn arm zou laten slapen en die de schaduwen uit je kamer zou verjagen. Ik zou je opvoeden met zachte hand, duizend boeken en humor om de scherpe kantjes van het leven weg te lachen. Ik zou nooit mijn frustraties als punaises op jouw pad leggen en proberen voor te doen in plaats van voor te zeggen. Ik zou een man van mijn woord zijn en niet zoals mijn vader een man van enkel woorden. En ja, ik heb mijn best gedaan. Ik heb voor je gezorgd, je eten en al mijn liefde gegeven. Maar ik heb je niet opgevoed. Nu na 16 jaar weet ik nog altijd niet hoe dat moet. Maar dat hoeft ook niet. Jij doet dat zelf beter dan goed. Wat ben je mooi om zien, my sweet sixteen.