De lucht hangt er maar wat wezenloos bij. Wolkenloos en vaal van kleur. Een luchtje in mineur. Als een mens na een feest dat intens en blakend is geweest. Nu even rust. De bomen ademen wat trager hun zuurstof uit, motoren brommen een toontje lager en het bloed kruipt dik en log door zijn gangen. Er heerst een lagedrukgebied genaamd vakantie. De bureau’s rondom mij zijn leeg en verzamelen stof voor een nieuw werkjaar. Ik verzamel het afval, de parels en vooral het nietszeggende palet daartussen dat ik hier al die jaren vooral zittend heb geproduceerd. Ik zeef het op zijn waarde zoals een goudzoeker. Niet al waarvan ik dacht dat het goud was, blinkt nu nog. Het was vaker enkel de weerkaatsing van het eigen verlangen. Dat kan, zoals geweten, heel dof eindigen. Hoewel jij en ik gedegen het werk nemen en vriendelijk ons wezen ter beschikking stellen voor wat de arbeidsmarkt verlangt, ligt ons geluk elders. Achter die grijze lucht die de horizon zijn strakke lijn ontneemt. Ons geluk ontbloot zich op het snijpunt van licht en donker, droom en daad, verleden en de dageraad. Zoekend naar schoonheid en gelegenheid. Geuren die zalven en kleuren die afkalven als de zeewind heldendaden van lang geleden verzint. Wij zijn dromers voor het leven die hun leven aan de grijze lucht geven. Maar met een geest die achter de werkelijkheid leest. Ik zal je daar altijd schrijven en het enige wat jij moet doen, is jezelf blijven.
Tot schrijfs,
P.
P.