woensdag 31 juli 2019

Brieven aan K.

Lieve k,
De lucht hangt er maar wat wezenloos bij. Wolkenloos en vaal van kleur. Een luchtje in mineur. Als een mens na een feest dat intens en blakend is geweest. Nu even rust. De bomen ademen wat trager hun zuurstof uit, motoren brommen een toontje lager en het bloed kruipt dik en log door zijn gangen. Er heerst een lagedrukgebied genaamd vakantie. De bureau’s rondom mij zijn leeg en verzamelen stof voor een nieuw werkjaar. Ik verzamel het afval, de parels en vooral het nietszeggende palet daartussen dat ik hier al die jaren vooral zittend heb geproduceerd. Ik zeef het op zijn waarde zoals een goudzoeker. Niet al waarvan ik dacht dat het goud was, blinkt nu nog. Het was vaker enkel de weerkaatsing van het eigen verlangen. Dat kan, zoals geweten, heel dof eindigen. Hoewel jij en ik gedegen het werk nemen en vriendelijk ons wezen ter beschikking stellen voor wat de arbeidsmarkt verlangt, ligt ons geluk elders. Achter die grijze lucht die de horizon zijn strakke lijn ontneemt. Ons geluk ontbloot zich op het snijpunt van licht en donker, droom en daad, verleden en de dageraad. Zoekend naar schoonheid en gelegenheid. Geuren die zalven en kleuren die afkalven als de zeewind heldendaden van lang geleden verzint. Wij zijn dromers voor het leven die hun leven aan de grijze lucht geven. Maar met een geest die achter de werkelijkheid leest. Ik zal je daar altijd schrijven en het enige wat jij moet doen, is jezelf blijven.
Tot schrijfs,
P.

zondag 28 juli 2019

Brieven aan K.

De ochtend heeft zich al even uit zijn ledikant gehesen en ik loop me het zweet uit de poriën. Langs de kant van de weg ligt een muis. Ik maak een denkbeeldig kruis want over zijn bestaan heeft iets of iemand anders dat reeds gedaan. Wat verder dobbert een zwaan en zoekt naar de zin van haar bestaan met de kop diep onder haar vleugels. Soms is het daar wel degelijk te vinden. Diep in jezelf kijken en daar ligt het dan met een air van ‘Hé ik lig hier al een eeuwigheid hoor, domoor!’. Maar vaker rechten we onze nek zwaangewijs en varen het volle leven tegemoet. Dat laatste was een grapje. We laten ons vooral mee stromen en kiezen wat we denken dat we horen te kiezen. Nu ja, meestal kiezen we om niet te kiezen. Om anderen te laten kiezen. Uit vriendelijkheid. Soms. Uit een gebrek aan moed. Vaker. Want nergens zo’n hekel aan als aan verliezen. En als dat verliezen komt door de keuze van anderen, is dat dragelijker. Door een ander en de natuur te laten kiezen heb ik dan weer drie kinderen. Drie superlatieven. Drie wonderen waar ik direct voor zou kiezen. Maar da’s dus praat achteraf. Dat jij een ik vrienden werden was geen keuze. Dat overkwam ons. Twee zielen die voor elkaar vielen. Maar soms ook over elkaar. Gewonde mensen slaan stoemelings nieuwe wonden. Dat we toch vrienden bléven, was dus wel een keuze. Aan het aantal vrienden te zien, heb ik die keuze slechts weinig gemaakt. En omgekeerd veel anderen ook. Of ze lieten net zoals ik de keuze liever aan de ander. Ondertussen trap ik op mijn adem en bonkt mijn hart dat ik gek ben. Dus ik muis er maar eens vanonder. Soms kiest het lichaam.

zaterdag 27 juli 2019

Brieven aan K.

De begroting is op orde. Zoals een huishouden. Veel weggepropt in kasten in de hoop dat het nooit lijken zullen worden die de neiging ontwikkelen er ongepast weer uit te vallen. Jobs, jobs, jobs. Een mantra. Maar met mantra's voed je de aarde niet die ons moet voeden. Alleen de illusie van beheersing. Maar de achterliggende agenda's zijn ingevuld en het land van morgen wenkt. Met frietjes, bier en beats. Met een zonnebril op regent het zonnestralen. Aan u om hem te dragen of te zagen. In mijn huishouden doen de kasten hun werk en ik heel af en toe het mijne. Zo kruip ik door de velux richting dakgoot waar achter de rand de diepte wenkt. Als een lorelei die zoetjes zoemt dat het in haar armen beter toeven is. Ik klamp me vast aan dakpannen die ontwikkeld zijn om water van te laten glijden en samen met mijn angst, maak ik de richel modder- en naaldenvrij. In de tuin zitten vrouw en kinderen. Eten een ijsje. Likken het leven. Verkrampt wurm ik mij in omgekeerde richting door de velux en blijf er even hangen. Als een slappe handdoek te drogen. Held van de hoogte zal niet meer voor dit leven zijn, maar het huis is klaar voor de najaarstormen. Hopelijk hebben onze stemkannonnen ook hun dakgoot op orde.

Brieven aan K.

Het moet ergens eind jaren tachtig zijn geweest. De grijze grauwheid waarin de heer Martens ons terug in Romeinse cijfers wilde doen tellen en zelfs James Bond de Koude oorlog niet meer verdroeg. Kleurloos want VTM bestond nog niet. De hippies van weleer waren allang vleugellam geslagen en zaten er in gedachten bij als met olie besmeurde meeuwen. De muziek was ziek en wordt sindsdien elektronisch in leven gehouden. De meisjes waren vergeten dat ze wezens met eigen accenten waren en jongens schreven hun eindwerk over mei 68. Nu ja, ik toch. Mijn drang naar escapisme is toen genetisch vastgelegd. Uitdrukkingen als een vreemde eend in de bijt, schreef ik op mijn lijf en natuurlijk Weg met de raketten op mijn pennenzak. Het eerste is gelogen en het tweede deed ik vanwege de perceptie. Want perceptie is alles. En niet de economie zoals die Bill zei die er waarschijnlijk nooit een heeft moeten betalen. In die tijd was ik ervan overtuigd dat ik in alles goed was en in niets echt. Dertig jaar later is dat zowat de enige overtuiging die overeind is gebleven. Niet dat het daarom meer waar zou zijn. Maar in tijden van fake news doet dat er ook niet echt toe. Maar aan het einde van die droevige decade stond ik dus aan het begin van de weg richting volwassenheid. Ik hield meer van Charlie Chaplin dan van Aliens, dus de toekomst was bezwaarlijk mijn kopje thee. Een mens moet gewoon wachten en dan wordt die toekomst vanzelf verleden en kan je ernaar terugverlangen. Of vergeten. Ik heb beide gedaan. Veel vergeten vooral. Maar nooit die film eind jaren tachtig die me eerst deed dromen van kunst. En daarna van bevlogenheid. Om me uiteindelijk heel lang achter te laten met poëzie. Ik dichtte de dagen zonder mezelf af te vragen wat er met de bevlogenheid was gebeurd. Maar sinds kort hoop ik dat ik gauw weer in de spiegel zie dat er niets mooiers is dan de bevlogenheid van Dead Poets Society.