Het is heet. Heet als bloed. Voor bloed is 36° goed, maar voor lucht te warm. Mama neemt me stevig bij de arm. Het asfalt plakt onder mijn voeten. Ik wil niet stappen maar het is van moeten. We zijn in het land waar de maan altijd op half wil staan. Halfvol of halfleeg in zo’n vraag waarop ik nog nooit een antwoord kreeg. Alsof sommige vragen geen antwoord verdienen of dat mama zich er liever niet wil aan wagen. Asfalt wordt nu zand, een soort strand rond een meer. Het zand doet zeer en brandt. Mama zegt dat ik zeur en noemt me teer. Het klinkt niet als in teerbeminde maar als een teleurstelling dat ik het juiste gedrag maar niet wil vinden. Aan de waterlijn zegt ze dat we er eindelijk zijn. Ze zucht en gooit een handdoek in de lucht. Als die landt zet ze mij op de rand en kleedt mij uit tot naakt. Ze smeert mij in met iets dat naar kokos ruikt maar naar vieze vis smaakt. Als ze het smeren staakt trekt ze mij een vodje zwembroek en zwembandjes aan. Ze zegt iets van ‘speel maar’ en ‘te ver’. ‘Niet’ heb ik niet verstaan. Als ik het zand van tussen mijn billen klop, glimlacht ze vermoeid en steekt onnavolgbaar haar haren op. Dan leest ze zich zoek in een boek en laat mij over aan mij. Vrij loop ik weg van haar en het water. Zwemmen is misschien voor later maar eerst wil ik weg van dat kanon. Weg van die beukende zon. Ik zie een meisje met op haar badpak spatten van een te snel gesmolten ijsje. Ook zij lijkt van haar moeder los en samen drentelen we naar het bos. We geven elkaar zweethandjes en doen alsof onze zwembandjes vleugels van libellen zijn. Het zachte mos is zo koel en fijn dat we ons leggen en voordat we slaap wel kunnen zeggen voelen hoe dromen loom in ons naar binnenstromen. Zo verglijdt lange tijd, groeien de schaduwen van de bomen en zakt de zon naar de horizon. Het meisje begint plots te huilen. Ze wil hier niet meer schuilen. Eens uit het bos laat zijn mijn hand los en rent bij mij vandaan. Aan het water zie ik mama staan. Ze roept op hoge toon mijn naam. Wel twintigduizend keer. Haar ogen dwalen over het meer. Ze dacht vast dat ik daar al die tijd te dobberen lag. Ik lach want ze zoekt totaal verkeerd. Ik loop de weg terug, tik haar zachtjes op haar rug en glunder: Heb jij nooit verstoppertje geleerd? Ze huilt. Ze lacht. Ze neemt me in haar armen zo hard dat ze me haast versmacht. Het doet een beetje pijn. Zo heet als bloed. Echt gezond kan dat toch niet zijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten