Het is stil in het rijtjeshuis in de straat die net zo doodlopend is als mijn toekomst hier. Zij die dit thuis noemen zijn uit. Het onkruid voor de deur is gewied en voor het eerst in 20 jaar is dat niet door mijn handen geschied. Alsof ze zat te wachten tot ik het toeliet. De deur is open en de kat niet van huis. Als ik haar kruis doet ze alsof ik een vreemde ben. Een dief van verloren tijd. Van restjes ongebruikte zorgeloosheid. Ik kijk naar de lege plekken op de muur waar wij in kaders hebben gehangen en die gapend wachten tot god weet wie of wat me hier zal vervangen. De sporen van mij zitten enkel nog in de gekaleide muren, in de trap waaraan ik uren heb zitten schuren, in verf die zal afbladeren lang voor ik sterf en in de kinderen die blijven en hier nu aan een verhaal zonder mij schrijven. Ik wandel door de kamers en loop verloren in de kamers van mijn geheugen. Lang voordat we verwerden tot leugen, brak ik koterijen af en duivenkoten, bouwde gewillig aan de dromen die uit haar ontsproten en deed wat ik dacht dat hoorde. Maar dat stoorde vooral tot het barstte. De slagen van de verloren liefde zijn altijd de hardste.
Moe trek ik deur achter me toe en besef om de hoek dat ik in deze straat nooit meer zal thuiskomen. Hooguit nog op bezoek.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten