zondag 2 augustus 2020

Post voor niemand 4

Op een zonnige zondag in het jaar één van de coronatijdrekening en van mijn eigen verbleking van modaal geluk schuif ik mijn schaduw achterna door de stad die een extra diepe zomerslaap houdt. Alsof ze samen met mij rouwt om het verlies van alles wat we als te evident hadden beschouwd. Ik word nergens verwacht, hoef nergens heen. Mijn redenen tot bewegen zijn louter ontsnappen aan het opgelegd alleen.  Mijn voeten besluiten dat we maar eens afwijken moeten van vertrouwde paden waarlangs ik mezelf al te vaak heb verraden en leiden me een hoekje om waar ik gebruikelijk niet kom.  De straat oogt dorps en desolaat. Vergeten zoals die ene van Louis Paul Boon tussen straten die wel weten wat ze daar liggen te doen. De huizen met groen voor de deuren en krijt op de plavuizen zijn beschilderd met retrokleuren en geven deze straat een speels en onschuldig gelaat. Terwijl ik nog sta te dromen hoe fijn het moet zijn om hier thuis te komen, gaat mijn geheugen met mij aan de haal en beweert in haar eigen codetaal dat dit is waarvan ik beweerde dat het niet meer bestond. De straat waar ik tot mijn zes had gewoond en van dacht dat ze door tijd en bouwpromotoren was weggegomd. Ik zet me op de stoep en roep op wat die jaren in mij hadden gekrast. Beeld na beeld neem ik een stukje kindertijd vast en zoek uit hoe mijn leven ooit in deze straat heeft gepast. Ik zie moeder pas gescheiden verschillende maaltijden bereiden als antwoord op onze kieskeurigheid. Ik zie haar de was ophangen in een langgerekte tuin met haar lange haren akachoubruin wiegend in de wind en aan elke broekspijp een jengelend kind. Ik zie de wc-deur op de koer met een hartje in, een boxerhond en een man met lange manen en een baard voor een nieuw begin. Ik zie mijn broer zijn hoofd in een wasmand leegbloeden, ik zie mezelf als peuter die nog niet kon bevroeden dat we nog in veel straten zouden wonen maar nooit helemaal de goede. Ik zie mezelf gelukkig met rode gummilaarzen en een bal. Die ik nu in gedachten doorheen de Ernest Solvaystraat knal. Ik wandel anders uit die straat uit een andere tijd. Veel is verloren. Maar ook veel kostbaar raak ik voor het leven niet meer kwijt.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten