dinsdag 4 augustus 2020

Post voor niemand 5

Het is stil in het rijtjeshuis in de straat die net zo doodlopend is als mijn toekomst hier. Zij die dit thuis noemen zijn uit. Het onkruid voor de deur is gewied en voor het eerst in 20 jaar is dat niet door mijn handen geschied. Alsof ze zat te wachten tot ik het toeliet. De deur is open en de kat niet van huis. Als ik haar kruis doet ze alsof ik een vreemde ben. Een dief van verloren tijd. Van restjes ongebruikte zorgeloosheid. Ik kijk naar de lege plekken op de muur waar wij in kaders hebben gehangen en die gapend wachten tot god weet wie of wat me hier zal vervangen. De sporen van mij zitten enkel nog in de gekaleide muren, in de trap waaraan ik uren heb zitten schuren, in verf die zal afbladeren lang voor ik sterf en in de kinderen die blijven en hier nu aan een verhaal zonder mij schrijven. Ik wandel door de kamers en loop verloren in de kamers van mijn geheugen. Lang voordat we verwerden tot leugen, brak ik koterijen af en duivenkoten, bouwde gewillig aan de dromen die uit haar ontsproten en deed wat ik dacht dat hoorde. Maar dat stoorde vooral tot het barstte. De slagen van de verloren liefde zijn altijd de hardste. 
Moe trek ik deur achter me toe en besef om de hoek dat ik in deze straat nooit meer zal thuiskomen. Hooguit nog op bezoek.

zondag 2 augustus 2020

Post voor niemand 4

Op een zonnige zondag in het jaar één van de coronatijdrekening en van mijn eigen verbleking van modaal geluk schuif ik mijn schaduw achterna door de stad die een extra diepe zomerslaap houdt. Alsof ze samen met mij rouwt om het verlies van alles wat we als te evident hadden beschouwd. Ik word nergens verwacht, hoef nergens heen. Mijn redenen tot bewegen zijn louter ontsnappen aan het opgelegd alleen.  Mijn voeten besluiten dat we maar eens afwijken moeten van vertrouwde paden waarlangs ik mezelf al te vaak heb verraden en leiden me een hoekje om waar ik gebruikelijk niet kom.  De straat oogt dorps en desolaat. Vergeten zoals die ene van Louis Paul Boon tussen straten die wel weten wat ze daar liggen te doen. De huizen met groen voor de deuren en krijt op de plavuizen zijn beschilderd met retrokleuren en geven deze straat een speels en onschuldig gelaat. Terwijl ik nog sta te dromen hoe fijn het moet zijn om hier thuis te komen, gaat mijn geheugen met mij aan de haal en beweert in haar eigen codetaal dat dit is waarvan ik beweerde dat het niet meer bestond. De straat waar ik tot mijn zes had gewoond en van dacht dat ze door tijd en bouwpromotoren was weggegomd. Ik zet me op de stoep en roep op wat die jaren in mij hadden gekrast. Beeld na beeld neem ik een stukje kindertijd vast en zoek uit hoe mijn leven ooit in deze straat heeft gepast. Ik zie moeder pas gescheiden verschillende maaltijden bereiden als antwoord op onze kieskeurigheid. Ik zie haar de was ophangen in een langgerekte tuin met haar lange haren akachoubruin wiegend in de wind en aan elke broekspijp een jengelend kind. Ik zie de wc-deur op de koer met een hartje in, een boxerhond en een man met lange manen en een baard voor een nieuw begin. Ik zie mijn broer zijn hoofd in een wasmand leegbloeden, ik zie mezelf als peuter die nog niet kon bevroeden dat we nog in veel straten zouden wonen maar nooit helemaal de goede. Ik zie mezelf gelukkig met rode gummilaarzen en een bal. Die ik nu in gedachten doorheen de Ernest Solvaystraat knal. Ik wandel anders uit die straat uit een andere tijd. Veel is verloren. Maar ook veel kostbaar raak ik voor het leven niet meer kwijt.


zaterdag 1 augustus 2020

Post voor niemand 3

Reggae op de radio. Een ochtendbries speelt met de gordijnen. Het jaar 2020 trek een nieuw blikje maand open en buiten waart iets onzichtbaar dat maar niet wil verdwijnen. Het wordt opnieuw een warme en droge dag, waarin veel van wat mocht ook vandaag niet mag. Op het ritme van de processie van Echternach bewegen gedachten tussen duister en licht, tussen een zorgeloos verlangen en al wat is verplicht. Buiten wachten de solden op onze koopkracht om het leed dat de overconsumptie werd toegebracht te zalven en af te kalven tot geruststelling. Het komt allemaal goed, zolang de economie het maar doet. Buiten wachten terrasjes als oaseplasjes in een uitgedroogd stadsleven dat weigert zich zonder slag of lach over te geven aan de wetten van een virus dat steeds meer het gemoed lijkt te besmetten. Buiten wacht de dag op zij die niet wachten op de dag dat alles weer mag. Op zij die geloven dat in de beperking de meester zich toont, dat een kind zich tot koning kroont met niets meer dan de fantasie die in hem woont. Binnen wachten zij die zich bezinnen of er bij verlies van zoveel vrijheid nog wel iets valt te winnen met buitenkomen. Die dromen van de eenvoud van het oude normaal dat hen toen banaal had geleken maar dat hen ondanks de vele gebreken houvast bood. Het lood in hun schoenen is het niet zich kunnen verzoenen met het idee dat de zandkastelen die we bouwen ook weer worden weggespoeld door de zee. Buiten ruist de stad en zijn al heel wat mensen met zand in de weer. Ik denk dat ik me vandaag maar tot hen bekeer. Wat bouwen, niet om voor altijd te behouden, maar om te zorgen dat ik het niet verleer. Want ooit, ja ooit, kan het weer.

zaterdag 28 maart 2020

Post voor niemand - 2

Nu en dan sluit een deur zich voorgoed. Omdat dat zo goed is. Omdat het goed is geweest en nu niet langer meer. Ook al sloot ze zich ongewild en met de nodige hartzeer. Vaak is het net dan dat er een nieuwe wind gaat waaien die deuren laat openzwaaien. Nieuwe en oude. Deuren die je nooit eerder zag en deuren die je nog niet vertrouwde. Deuren die pas verschijnen als andere verdwijnen.
In het beste geval is het leven één grote deurenkomedie. Met een lach en traan. Waar ook nooit tegelijk alle deuren toe of openstaan. Een spel van omarmen en laten gaan. Een afsluiten van wat niet meer valt te repareren. Maar ook al staat er op de deur 'Laat los en durf te leren' hoeveel keren houden we toch de klink vast? Klinken we ons aan een verlangen dat ons niet langer past? Want van al onze gevoelens gaat angst het diepst. En blijft het langst. Veel voordeuren zijn nu op slot. Velen worden nu zot in hun kot. Maar elk hart heeft nog altijd vier kamers en evenveel deuren. De fantasie in ons hoofd is een poort waarachter zoveel kan gebeuren. Dus ga er binnen en durf beminnen wat je nu nog niet kent. Het is altijd en nooit het goede moment. Durf en denk niet aan voorgoed. Niets moet en ook al is het maar voor even. Elke geopende deur is een welkom zeggen aan het leven.

vrijdag 27 maart 2020

Post voor niemand - 1

Dag zoveel van het nieuwe tijdperk. Dat van de grote inperk. Van anders moeten en anders mogen. Van handen wassen en thuiswerk. Van groeten met de ellebogen.
Nog steeds van u en mij. Alleen even iets minder vrij.
Buiten wuiven de duiven als vanouds, worden nesten gebouwd. Buiten oogt de wereld nog vertrouwd. Maar binnen gaat van alles aan het schuiven. Binnen vier muren rekken de uren zich uit, tikken de minuten ons niet langer op de vingers. Achter gesloten deuren en veilig voor indringers moeten we de dagen anders inkleuren.
Mijn kinderen dragen de dagen. Zonder zeuren, zonder zagen. Doen wat hen wordt opgelegd en nemen afscheid zonder gevecht. Van al wat er wordt geschrapt nu de wereld krampachtig naar een nieuwe adem hapt. Hun hobby's en hun vrienden. Hun optredens waarvoor ze gezwoegd hebben en waarvoor ze applaus verdienden. Hun plannen zijn verbannen voor onbeperkte tijd en vervangen door oefeningen in onzekerheid.
Ze oefenen in geduld. Lachen als de lucht rondom zich met spanning vult en ontladen. Ze blijven ook nu vastberaden. Zichzelf.
Opgesloten in mezelf kijk ik naar hen en ik beken. Zij blijven vrij en tonen mij wat durven leven is. Wen eraan en durf vanuit gemis nieuwe wegen gaan. In mijn oog bungelt een traan waar ik mij niet voor schaam. Ik heb drie schatten en ze dragen mijn naam. En ik hen op handen. Deze dwaze dagen versterken volop de banden.

donderdag 26 maart 2020

Post voor niemand

Er zijn van die tijden dat je geen spiegel nodig hebt. Dat je de krak erin ook zo wel door je zelfbeeld voelt trekken terwijl de stilte rondom je om antwoorden vraagt. Er zijn van die tijden dat je innerlijk kompas op vermijden staat en je handen in de leegte klauwen in de hoop de val af te remmen. Je voelt de vingertoppen van anderen langs de jouwe glijden. Ze strelen vol overtuiging maar kunnen niet stoppen. Er zijn van die tijden dat je naar het kaartenhuis, leven genaamd, staart en met één zucht wegblaast wat je met sussen altijd hebt proberen recht te houden. In je hand de joker die je grijnzend aanstaart en spottend vraagt of je je nog aan een volgende rondje waagt. Er zijn van die tijden dat je de zon wil uitdoen om de sterren beter te kunnen zien en de kleine prins in jezelf te vertellen dat vliegtuigen nu eenmaal gemaakt zijn om niet eeuwig in de lucht te blijven en dat een crash betekent dat je op een nieuwe planeet terecht bent gekomen. Of die ontvankelijk voor jouw dromen is, is weinig waarschijnlijk maar de enige vraag die er toe doet. Er zijn van die tijden dat je een spiegel zoekt, om stuk te kunnen slaan zodat je de scherven kan herschikken en de wereld anders bij je binnenkomt. In behapbare stukjes. In gelukjes en ongelukjes die je lachen doen. Om de schoonheid ervan. Om de eenvoud om ermee om te gaan. Er zijn van die tijden dat je nederlagen moet lijden om daarna op te kunnen staan. Er zijn van die tijden om je aan gedachten als deze te wijden. Er zijn. De rest is dan voor later.

zondag 9 februari 2020

Memories


Hoewel midden op de dag dringt er weinig licht in het oude werkhok van grootvader. Spinrag en stofstrepen op de ramen hullen deze plek in een geheimzinnig halfduister. Rechts in de hoek staat de grote slijpsteen majestueus te wezen met een air alsof zijn tijdperk nooit voorbij zal gaan. Voor het lange raam met uitzicht op de groentetuin strekt zich een werkbank uit vol vijzen, moeren, lampen in alle formaten, oude radio’s en verdwenen jaren aan knutselplezier. Aan de wand er tegenover  hangen als kadertjes alle instrumenten die grootvader nodig heeft om aan al zijn werk dat provisoire karakter te geven: restjes van alles. Met een stok teken ik in de aarden grond voor mijn voeten een mannetje met lange haarpieken en zing over de dag dat het zonlicht niet meer scheen. Naast mij ronkt de stoof roodgloeiend terwijl de wind gejaagd door de schouw trekt. Als ik opkijk, zie ik grootvader op het tuinpad. De tred nog stevig, het genoegen als een uitnodiging in zijn gezicht gegroeid. In zijn handen, gewikkeld in krantenpapier, de boeksering waarrond straks feestelijk eigen sla, tomaat en gebakken aardappeltjes zullen worden gedrapeerd als ode aan het eenvoudige, goede leven. Terwijl de boeksering braadt, delen we moppen van De Druivelaar en de ons toebedeelde tijd. Achter het hok staat een oude pruimelaar drachtig van het diepste paars en goudgeel vruchtvlees. We plukken wat geluk als dessert.  Ooit zullen we zo weer samen zijn. Ooit in de pruimentijd.






In het ouderlijke huis, op de zolder boven de garage was een verlaten duivenhok waar het invallende zonlicht het immer opwaaiende stof van betovering voorzag. Met de knieën opgetrokken tot onder de kin en de armen als een sluitstuk eroverheen geslagen luisterde ik er naar de afwezigheid van de duiven, naar het geblaat verderop in de wei, naar de hartslag in mijn keel. Met halftoegeknepen ogen brak ik het zonlicht in rozige kleuren en liet het dansend stof mij verleiden tot niet nadenken. Een liggend stilleven dat zachtjes deinde onder het ademen en dat zich oefende in verdwijnen. Omgeven door zonlicht en verborgen voor de wereld beeldde ik me dan in zo'n duif te zijn die vanuit deze tijdelijke geborgenheid en zich bewust van zijn enorme kwetsbaarheid voorbereidde op de grote vlucht naar al wat wachtte daarbuiten. Moed verzamelen om het leven onder ogen te komen. Namiddagen bracht ik er dromend door en eenmaal buiten werden al die dromen vogels voor de kat. Opgroeien, zo deed ik dat.


 Er hing die dagen vaak sneeuw in de lucht. In de onverwarmde veranda rookte ik dan elke avond mijn laatste sigaret van de dag en dwong mezelf te denken aan het leven dat mij bij het breken van het water zou overspoelen. Mijn sigaret zou sissend uitgaan en mijn navel zou volop blank komen te staan. Maar verder dan dat en enkele naïeve verwachtingen over het vaderschap kwam ik niet. Ik moest en zou mijn vader overtreffen, hetgeen zowat de laagste ambitie was die een man zich kon formuleren. Ik zou een moderne vader zijn, die pamperde en troostte, je uren op zijn arm zou laten slapen en die de schaduwen uit je kamer zou verjagen. Ik zou je opvoeden met zachte hand, duizend boeken en humor om de scherpe kantjes van het leven weg te lachen. Ik zou nooit mijn frustraties als punaises op jouw pad leggen en proberen voor te doen in plaats van voor te zeggen. Ik zou een man van mijn woord zijn en niet zoals mijn vader een man van enkel woorden. En ja, ik heb mijn best gedaan. Ik heb voor je gezorgd, je eten en al mijn liefde gegeven. Maar ik heb je niet opgevoed. Nu na 16 jaar weet ik nog altijd niet hoe dat moet. Maar dat hoeft ook niet. Jij doet dat zelf beter dan goed. Wat ben je mooi om zien, my sweet sixteen.