zondag 9 februari 2020

Memories


Hoewel midden op de dag dringt er weinig licht in het oude werkhok van grootvader. Spinrag en stofstrepen op de ramen hullen deze plek in een geheimzinnig halfduister. Rechts in de hoek staat de grote slijpsteen majestueus te wezen met een air alsof zijn tijdperk nooit voorbij zal gaan. Voor het lange raam met uitzicht op de groentetuin strekt zich een werkbank uit vol vijzen, moeren, lampen in alle formaten, oude radio’s en verdwenen jaren aan knutselplezier. Aan de wand er tegenover  hangen als kadertjes alle instrumenten die grootvader nodig heeft om aan al zijn werk dat provisoire karakter te geven: restjes van alles. Met een stok teken ik in de aarden grond voor mijn voeten een mannetje met lange haarpieken en zing over de dag dat het zonlicht niet meer scheen. Naast mij ronkt de stoof roodgloeiend terwijl de wind gejaagd door de schouw trekt. Als ik opkijk, zie ik grootvader op het tuinpad. De tred nog stevig, het genoegen als een uitnodiging in zijn gezicht gegroeid. In zijn handen, gewikkeld in krantenpapier, de boeksering waarrond straks feestelijk eigen sla, tomaat en gebakken aardappeltjes zullen worden gedrapeerd als ode aan het eenvoudige, goede leven. Terwijl de boeksering braadt, delen we moppen van De Druivelaar en de ons toebedeelde tijd. Achter het hok staat een oude pruimelaar drachtig van het diepste paars en goudgeel vruchtvlees. We plukken wat geluk als dessert.  Ooit zullen we zo weer samen zijn. Ooit in de pruimentijd.






In het ouderlijke huis, op de zolder boven de garage was een verlaten duivenhok waar het invallende zonlicht het immer opwaaiende stof van betovering voorzag. Met de knieën opgetrokken tot onder de kin en de armen als een sluitstuk eroverheen geslagen luisterde ik er naar de afwezigheid van de duiven, naar het geblaat verderop in de wei, naar de hartslag in mijn keel. Met halftoegeknepen ogen brak ik het zonlicht in rozige kleuren en liet het dansend stof mij verleiden tot niet nadenken. Een liggend stilleven dat zachtjes deinde onder het ademen en dat zich oefende in verdwijnen. Omgeven door zonlicht en verborgen voor de wereld beeldde ik me dan in zo'n duif te zijn die vanuit deze tijdelijke geborgenheid en zich bewust van zijn enorme kwetsbaarheid voorbereidde op de grote vlucht naar al wat wachtte daarbuiten. Moed verzamelen om het leven onder ogen te komen. Namiddagen bracht ik er dromend door en eenmaal buiten werden al die dromen vogels voor de kat. Opgroeien, zo deed ik dat.


 Er hing die dagen vaak sneeuw in de lucht. In de onverwarmde veranda rookte ik dan elke avond mijn laatste sigaret van de dag en dwong mezelf te denken aan het leven dat mij bij het breken van het water zou overspoelen. Mijn sigaret zou sissend uitgaan en mijn navel zou volop blank komen te staan. Maar verder dan dat en enkele naïeve verwachtingen over het vaderschap kwam ik niet. Ik moest en zou mijn vader overtreffen, hetgeen zowat de laagste ambitie was die een man zich kon formuleren. Ik zou een moderne vader zijn, die pamperde en troostte, je uren op zijn arm zou laten slapen en die de schaduwen uit je kamer zou verjagen. Ik zou je opvoeden met zachte hand, duizend boeken en humor om de scherpe kantjes van het leven weg te lachen. Ik zou nooit mijn frustraties als punaises op jouw pad leggen en proberen voor te doen in plaats van voor te zeggen. Ik zou een man van mijn woord zijn en niet zoals mijn vader een man van enkel woorden. En ja, ik heb mijn best gedaan. Ik heb voor je gezorgd, je eten en al mijn liefde gegeven. Maar ik heb je niet opgevoed. Nu na 16 jaar weet ik nog altijd niet hoe dat moet. Maar dat hoeft ook niet. Jij doet dat zelf beter dan goed. Wat ben je mooi om zien, my sweet sixteen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten