maandag 28 oktober 2019
Allerzielen
Allerzielen is wat het is, een feestdag van gemis, van al wie en al wat
wenselijk was en nu niet meer is. Het is stilstaan, een teruggaan in de
tijd met hen die zijn heengegaan zonder of net na een zware strijd. Het
is hun beeld oproepen dat jaar na jaar ongevraagd verder vervaagt onder
het snoepen van een pannenkoek die levenslang de geur van zoete heimwee
in zich draagt. Het is zoeken in de grijze herfstlucht naar een teken
dat iets van hun aanwezigheid op deze aarde nog niet
volledig is geweken. Het is wat het is, maar alras minder dan wat het
was. De wereld die we samen deelden laat zich steeds moeilijker
verbeelden. Die wereld is gekanteld, ontmanteld en van zijn traagheid
ontdaan. De snelheid waarmee we stappen overslaan daarover zou ik graag
met jullie nog eens in gesprek gaan. Eén dag per jaar, op Allerzielen
zeg maar, wil ik jullie stemmen even horen die verhalen over het normaal
voor dat ik was geboren. Over de rode draad die zich als armen om
jullie tijd en de mijne slaat. Of gewoon om het kind in mij te sussen
met het idee dat we eigenlijk altijd dood zijn en het leven slechts een
pauze is daartussen. Dan zien we elkaar ooit terug, niet vlug maar na
verloop van tijd voor altijd. Keuvelen we over welke menselijke wanen
zullen sneuvelen en welke er zijn voor de eeuwigheid. En die schrijven
we dan in dikke boeken. Zoals Allerzielen vier je met familie en bovenal
met pannenkoeken!
Dat was het dan
Dat was het dan. Met die vier woorden beëindigde daarstraks de
winkeljuffrouw luidop haar werkdag. Maar het had evengoed een relatie
van twintig jaar kunnen zijn. De woorden bleven ergens in mij hangen. De
toon waarmee ze waren uitgesproken en wat ze in die volgorde
uitdrukten, leken een gevoel te vatten waar ik al lang mee zit. En
plots wist ik het. De vier woorden vatten perfect samen waar de mensheid
anno nu lijkt te zijn beland. Bij dat was het dan. Geen uiting van
vreugde of teleurstelling, opluchting of
vrees. Louter de vaststelling dat hoop in de blauwe zak bij het
huisvuil mag gezet worden. Omdat ook juiste recyclage er eigenlijk niet
meer toe doet. We hebben als mensheid keuzes gemaakt. En als je de weg
ziet die we afgelegd hebben van Altamira tot nu, dan zaten er daar er
paar geniaal goede bij. We hebben er ook desastreuze gemaakt, maar lange
tijd geen die onomkeerbaar waren. Tot we driekwart eeuw geleden moesten
kiezen tussen leven met iets meer luxe maar veel meer vrije tijd en
meer rechtvaardigheid wereldwijd of leven in groteske luxe en even hard
blijven werken en nog meer ongelijkheid wereldwijd. De technologische
vooruitgang had die keuze namelijk mogelijk gemaakt. Tot daar het goede
nieuws. Dat we voluit werden verleid om voor het tweede te kiezen,
blijkt achteraf (maar dat is altijd makkelijk praten) het minder goede
nieuws te zijn. Maar mensen blijven nu eenmaal dieren en niet gemaakt om
achteruit te lopen. Dus wandelen we voort op die ingeslagen weg. En
biedt die op den duur geen vluchtwegen meer, tja, dat is dan brute pech.
En zo zie ik heel veel mensen leven naar het adagium ‘Dat was het
dan’. De geschiedenis van de mens loopt richting einde en we maken er
dan maar gewoon het beste van. Niet erg. Gewoon dat was het dan.
woensdag 9 oktober 2019
Mijmeringen
Het regent nu al dagen. Maakt het gemoed zompig en de takken
druilerig. Het regent nu al dagen klachten. Over een nieuwe regering die kil en
koud zou zijn. Angry birds die vrij spel hebben gekregen. Niet dat er een
verband is, maar toch is het moeilijk om geen nattigheid te voelen. De regen
valt en her en der worden al paraplu’s opengetrokken. Er is alweer voldoende
grondwater voorradig om de handen in onschuld te kunnen wassen. Dus kruipen we
binnen en spelen node spelletjes. In gezelschap. In het achterkamertje. Waar
het denken vanzelf klein is en vrij van horizon. Waar geen nieuw gezelschap
binnen kan. Het is er al zo krap. En als de deur opengaat, trekt het. Trekt het
aan. Krijg je frisse wind die de mottenballen uit onze cultuur ranselt. Die
doet huiveren.
Dan liever grijs en voldaan in eigen nat. Deze herfst zou wel eens een legislatuur lang kunnen duren. En dan de winter?
Dan liever grijs en voldaan in eigen nat. Deze herfst zou wel eens een legislatuur lang kunnen duren. En dan de winter?
Niet dat hij oude koeien uit de gracht wil halen, maar het
kalf is verdronken. Dat zegt Jonathan Franzen. Over de klimaatopwarming.
Catastrofe is wat wacht. De man is geen wetenschapper. Hij is auteur van romans
die ertoe doen. Hij weet wat zijn bijdrage kan zijn, hoe de mens handelt en
wandelt. Weg van de last, richting lust. Richting laat mij met rust. Enkel als
de mens de mens niet was, was er nog hoop. Maar dan was die hoop miserie er ook
niet geweest. Zo draaien we dus in cirkels en misschien is dat op een
rondtollend stuk rots ook het enige wat we kunnen doen. Netjes rond de zon.
Bron van leven en op een dag overdreven. Müss es sein? Es müss sein. Dus schermen
we ons af met schermen die bedwelmen en met de juiste filter over- en
onderbelichten we tot het ons past. Gerustgesteld of gemotiveerd om de dagen te
blijven aanbreken en te blijven gaan. Op het voor ons ingeslagen pad en kruimels
strooiend in de hoop ooit de weg terug te vinden. En zolang er nog vogels zijn,
zullen zij die dan netjes opeten. Zo is het altijd geweest en zo zal het altijd
zijn. Dat is natuurlijk niet waar. Maar het troost. Oude koeien die we zijn.
Soms breek ik mijn hoofd over brekend licht. Hoe het wit valt
op een zomerblad en daarna gebroken en groen op mijn netvlies belandt. Of hoe
in de herfst datzelfde blad wit breekt tot geel, bruin of net helrood. Nog één
keer magistraal breken en dan dood. In de jaren tachtig lagen er na regenbuien
in het oranje lantaarnlicht vaak regenbogen te glimmen op het asfalt. Olie.
Vuile troost in zeer mistroostige jaren. VTM kleurde namelijk nog geen dagen. De zon bleef veelvuldig steken in mistbanken
en smog en zomerherinneringen vervaalde gauw tot polaroidmelancholie. In tijden
van koude oorlog trilde het licht trager en brak de mens ergens in de schaduw
van het bestaan. Bescheiden. In de luwte
van het licht. Misschien is dat waan. Hebben de kleuren van toen gewoon hun
schittering verloren door de tijd die nu eenmaal alles aantast. Of door de dood
die lange schaduwen werpt. Ofwel ontbrak
het me toen aan de durf om te breken in een gebroken gezin. Was kleur een luxe die
ik mij eigenlijk niet kon permitteren. Zwart zijn om geen kleur te hoeven
bekennen. Veel kleuren zijn toen voorgoed verdroogd. Misschien daarom dat ik nu
nog altijd zo makkelijk kan breken als iemand zonlicht zonder schroom durft
weerkaatsen. Of iets. Een blad. Helrood. Breken om te kunnen stralen. Leven.
Koppig en naïef. Een oude man vatte mij ooit in die twee
woorden. Toen was ik beledigd, nu niet meer. Waarschijnlijk had de man gewoon
gelijk, maar was ik te koppig om dat toe te geven. Te naïef om in te zien dat
de mens ook maar een dier is dat voor zijn eigen nest vecht en daarvoor desnoods
de eieren uit andermans nest kegelt. Ondertussen ben ik ouder maar niet wijzer.
Tot mijn vreugde en verdriet zie ik de koppigen en naïeven enkel toenemen. Als
laatste alternatief tegen beter weten in. Want naïef zijn betekent niet dat je
dom bent. Naïef zijn betekent voor mij vaak dat je gelijk hebt, maar dat je het
niet zal krijgen. Omdat het niet past in een economische logica, in een machtslogica
die niet maalt om morele waarden waarmee de mens zo graag schermt om zijn
superioriteit op deze planeet te bewijzen. Naïef zijn is geloven dat we ook
kunnen kiezen om te leven naar het beeld dat we hebben over goed en kwaad. Dat
we als mens krachtig en koppig genoeg zijn om het juiste te doen om het hier op
aarde voor iedereen tot een fijne plek te maken. Dat we krachtig en koppig
genoeg zijn om ons korte-termijnegoïsme te doen zwijgen. De geschiedenis
bewijst helaas ten overvloede dat het naïef is om zoiets te geloven. Maar kijk vanavond eens naar het journaal en
tel de naïevelingen en de koppigen. Ze zijn met velen. En ik blijf fier één van
hen.
woensdag 14 augustus 2019
Het euforisch ongeluk
De beek die babbelend leek maar kabbelend was, sneed hem de
pas en adem af. Aan de andere oever lag het graf van wiens verlies hij nooit
genas. Roerloos bleef hij staan in het dauwdorstig gras en keek de contouren
van zijn lijden aan. De steen verweerd
door weer en wind lag lomp zwaar op zijn verloren kind. Daarboven hing nu laag
de lucht, grijs gezwollen en vol regenzucht. De man nam zich manmoetig bij
elkaar want wist zich voor de overkant niet klaar. Hij trok stroming op, weg
van de stad, langs een overgroeit, vergeten pad en zocht in druilend weer naar
de eerste glimp van ommekeer. Na een trek vol vergetelheid kwam hij op een plek
die los van de moderne tijd haar gang was blijven gaan zodat er een heerlijke wildgroei
was ontstaan. Hier in de nabijheid van zijn kind waar echter geen mens hem vindt,
zocht hij zich een avondmaal. De eerste maar zeker niet de laatste maal. Eens de
wolken leeg en de beek gevuld, sliep de man enkel in het duister van de nacht
gehuld.
De aarde draaide richting zon zodat voor de man een nieuwe
dag begon. Kil en koud en met beperkte horizon. In het aanpalend kreupelhout
werd net een gevecht beslecht om een vrouwtjes bonte specht. Of zoals de man
cynisch fantaseerde over het toekomstige hoederecht. Hoe de man ook probeerde,
het gif zat in zijn bloed en beïnvloedde voorgoed wat hij dacht. De dag was slechts
een struikeling richting nacht. Waar heden en verleden aan stukken werden
gesneden tot spijt. Over bewezen zwakheid en schijnbare onomkeerbaarheid. Hij
zuchtte en kreunde. Stond recht en steunde tegen een stam die hem zonder beweging
te hulp kwam. Vleugellam en met spieren vol pijn vroeg hij zich af waarmee hij toch
bezig kon zijn. Had hij nu echt geloofd
dat verdwalen het malen in zijn hoofd kon verslaan? Dat het hielp de weg naar
de bron af te gaan? Hij lachte om die gedachte en dat deed hem deugd. Zelfspot
was een genot dat hem altijd al het meest had verheugd. Met een grimas zette
hij pas richting de beek waar hij naar zichzelf keek en in een oogopslag wist:
van deze man werd niet gehouden, deze man werd niet gemist.
De man sleet zijn dagen in onbehagen met zichzelf richting bron te dragen. Het lijf en de leden. Met een reden die hij nauwelijks zelf zag maar waarvan hij hoopte dat ze ergens daar op hem te wachten lag. Rondom hem kon je het stil noemen. Los van het zoemen van de bijen, het elkaar opvrijen van vogels en het klagen van de wind. Hij hoorde daarin het kind dat woordeloos vroeg waarom hij het had gedaan. Waarom het niet meer mocht bestaan van hem. En met doorns in zijn stem antwoordde hij dan de wind dat wie een reden zoekt er altijd wel één vindt. Euforie en blind geluk waren de cocktail voor het dramatisch ongeluk. En dan? Wordt het kind daar nu beter van? Maar de wind was al weer weggevlucht en joeg de woorden uit het hart gelucht als losse bladeren voor zich uit. De schamele buit van een man die gehuld in schuld sinds de bewuste dag voor al wat nog kan resoluut de deuren sluit. Sloot. Want met deze tocht vocht hij zich een weg weg van de dood. Of ernaar toe. Uitgehongerd en moe omarmde hij de leegte die als een mistbank in hem naar boven steeg. Hij wou dat hij dat gedaan kreeg: Gewoon van binnenuit verdwijnen. Of rijmen op een nieuw begin. Terug zin.
Steeds lichter in het hoofd, verdoofd door een hongerig lichaam dat noodgedwongen zichzelf berooft, vorderde hij traag langs de beek die hem eindeloos leek. Zijn gedachten werden altoos week terwijl hij zelfmedelijden als stroop door zijn aderen voelde glijden. Misantroop sinds de dag dat alles voor hem openlag maar ook weer onbarmhartig werd verwoest en hij van mens-zijn niet meer weten moest. Zelfhaat en haat tegen het lot werkten in hem als betonrot dat al sloopt wat ooit als onoverwinnelijk was gedoopt. Zijn verstand wilde wel naar overkant. Rap, slechts één blinde stap, maar zijn benen schenen onder hem verdwenen. Het zou dus moeten op handen en voeten wilde hij de bron bereiken die net als de horizon nu eens nabij leek en dan weer ging wijken. De man liet de zon in zich stromen die laag tussen bomen hing als een ultieme verleiding om nog vooruit te komen. Traag kroop hij over de takken en de ongemakken heen tot het licht uit de lucht verdween en uit zijn ogen. Gebogen en gekraakt legde hij zich naakt op het koele, tedere mos en liet los.
De man sleet zijn dagen in onbehagen met zichzelf richting bron te dragen. Het lijf en de leden. Met een reden die hij nauwelijks zelf zag maar waarvan hij hoopte dat ze ergens daar op hem te wachten lag. Rondom hem kon je het stil noemen. Los van het zoemen van de bijen, het elkaar opvrijen van vogels en het klagen van de wind. Hij hoorde daarin het kind dat woordeloos vroeg waarom hij het had gedaan. Waarom het niet meer mocht bestaan van hem. En met doorns in zijn stem antwoordde hij dan de wind dat wie een reden zoekt er altijd wel één vindt. Euforie en blind geluk waren de cocktail voor het dramatisch ongeluk. En dan? Wordt het kind daar nu beter van? Maar de wind was al weer weggevlucht en joeg de woorden uit het hart gelucht als losse bladeren voor zich uit. De schamele buit van een man die gehuld in schuld sinds de bewuste dag voor al wat nog kan resoluut de deuren sluit. Sloot. Want met deze tocht vocht hij zich een weg weg van de dood. Of ernaar toe. Uitgehongerd en moe omarmde hij de leegte die als een mistbank in hem naar boven steeg. Hij wou dat hij dat gedaan kreeg: Gewoon van binnenuit verdwijnen. Of rijmen op een nieuw begin. Terug zin.
Steeds lichter in het hoofd, verdoofd door een hongerig lichaam dat noodgedwongen zichzelf berooft, vorderde hij traag langs de beek die hem eindeloos leek. Zijn gedachten werden altoos week terwijl hij zelfmedelijden als stroop door zijn aderen voelde glijden. Misantroop sinds de dag dat alles voor hem openlag maar ook weer onbarmhartig werd verwoest en hij van mens-zijn niet meer weten moest. Zelfhaat en haat tegen het lot werkten in hem als betonrot dat al sloopt wat ooit als onoverwinnelijk was gedoopt. Zijn verstand wilde wel naar overkant. Rap, slechts één blinde stap, maar zijn benen schenen onder hem verdwenen. Het zou dus moeten op handen en voeten wilde hij de bron bereiken die net als de horizon nu eens nabij leek en dan weer ging wijken. De man liet de zon in zich stromen die laag tussen bomen hing als een ultieme verleiding om nog vooruit te komen. Traag kroop hij over de takken en de ongemakken heen tot het licht uit de lucht verdween en uit zijn ogen. Gebogen en gekraakt legde hij zich naakt op het koele, tedere mos en liet los.
Abonneren op:
Posts (Atom)