Het regent nu al dagen. Maakt het gemoed zompig en de takken
druilerig. Het regent nu al dagen klachten. Over een nieuwe regering die kil en
koud zou zijn. Angry birds die vrij spel hebben gekregen. Niet dat er een
verband is, maar toch is het moeilijk om geen nattigheid te voelen. De regen
valt en her en der worden al paraplu’s opengetrokken. Er is alweer voldoende
grondwater voorradig om de handen in onschuld te kunnen wassen. Dus kruipen we
binnen en spelen node spelletjes. In gezelschap. In het achterkamertje. Waar
het denken vanzelf klein is en vrij van horizon. Waar geen nieuw gezelschap
binnen kan. Het is er al zo krap. En als de deur opengaat, trekt het. Trekt het
aan. Krijg je frisse wind die de mottenballen uit onze cultuur ranselt. Die
doet huiveren.
Dan liever grijs en voldaan in eigen nat. Deze herfst zou wel eens een legislatuur lang kunnen duren. En dan de winter?
Dan liever grijs en voldaan in eigen nat. Deze herfst zou wel eens een legislatuur lang kunnen duren. En dan de winter?
Niet dat hij oude koeien uit de gracht wil halen, maar het
kalf is verdronken. Dat zegt Jonathan Franzen. Over de klimaatopwarming.
Catastrofe is wat wacht. De man is geen wetenschapper. Hij is auteur van romans
die ertoe doen. Hij weet wat zijn bijdrage kan zijn, hoe de mens handelt en
wandelt. Weg van de last, richting lust. Richting laat mij met rust. Enkel als
de mens de mens niet was, was er nog hoop. Maar dan was die hoop miserie er ook
niet geweest. Zo draaien we dus in cirkels en misschien is dat op een
rondtollend stuk rots ook het enige wat we kunnen doen. Netjes rond de zon.
Bron van leven en op een dag overdreven. Müss es sein? Es müss sein. Dus schermen
we ons af met schermen die bedwelmen en met de juiste filter over- en
onderbelichten we tot het ons past. Gerustgesteld of gemotiveerd om de dagen te
blijven aanbreken en te blijven gaan. Op het voor ons ingeslagen pad en kruimels
strooiend in de hoop ooit de weg terug te vinden. En zolang er nog vogels zijn,
zullen zij die dan netjes opeten. Zo is het altijd geweest en zo zal het altijd
zijn. Dat is natuurlijk niet waar. Maar het troost. Oude koeien die we zijn.
Soms breek ik mijn hoofd over brekend licht. Hoe het wit valt
op een zomerblad en daarna gebroken en groen op mijn netvlies belandt. Of hoe
in de herfst datzelfde blad wit breekt tot geel, bruin of net helrood. Nog één
keer magistraal breken en dan dood. In de jaren tachtig lagen er na regenbuien
in het oranje lantaarnlicht vaak regenbogen te glimmen op het asfalt. Olie.
Vuile troost in zeer mistroostige jaren. VTM kleurde namelijk nog geen dagen. De zon bleef veelvuldig steken in mistbanken
en smog en zomerherinneringen vervaalde gauw tot polaroidmelancholie. In tijden
van koude oorlog trilde het licht trager en brak de mens ergens in de schaduw
van het bestaan. Bescheiden. In de luwte
van het licht. Misschien is dat waan. Hebben de kleuren van toen gewoon hun
schittering verloren door de tijd die nu eenmaal alles aantast. Of door de dood
die lange schaduwen werpt. Ofwel ontbrak
het me toen aan de durf om te breken in een gebroken gezin. Was kleur een luxe die
ik mij eigenlijk niet kon permitteren. Zwart zijn om geen kleur te hoeven
bekennen. Veel kleuren zijn toen voorgoed verdroogd. Misschien daarom dat ik nu
nog altijd zo makkelijk kan breken als iemand zonlicht zonder schroom durft
weerkaatsen. Of iets. Een blad. Helrood. Breken om te kunnen stralen. Leven.
Koppig en naïef. Een oude man vatte mij ooit in die twee
woorden. Toen was ik beledigd, nu niet meer. Waarschijnlijk had de man gewoon
gelijk, maar was ik te koppig om dat toe te geven. Te naïef om in te zien dat
de mens ook maar een dier is dat voor zijn eigen nest vecht en daarvoor desnoods
de eieren uit andermans nest kegelt. Ondertussen ben ik ouder maar niet wijzer.
Tot mijn vreugde en verdriet zie ik de koppigen en naïeven enkel toenemen. Als
laatste alternatief tegen beter weten in. Want naïef zijn betekent niet dat je
dom bent. Naïef zijn betekent voor mij vaak dat je gelijk hebt, maar dat je het
niet zal krijgen. Omdat het niet past in een economische logica, in een machtslogica
die niet maalt om morele waarden waarmee de mens zo graag schermt om zijn
superioriteit op deze planeet te bewijzen. Naïef zijn is geloven dat we ook
kunnen kiezen om te leven naar het beeld dat we hebben over goed en kwaad. Dat
we als mens krachtig en koppig genoeg zijn om het juiste te doen om het hier op
aarde voor iedereen tot een fijne plek te maken. Dat we krachtig en koppig
genoeg zijn om ons korte-termijnegoïsme te doen zwijgen. De geschiedenis
bewijst helaas ten overvloede dat het naïef is om zoiets te geloven. Maar kijk vanavond eens naar het journaal en
tel de naïevelingen en de koppigen. Ze zijn met velen. En ik blijf fier één van
hen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten