woensdag 14 augustus 2019

Het euforisch ongeluk


De beek die babbelend leek maar kabbelend was, sneed hem de pas en adem af. Aan de andere oever lag het graf van wiens verlies hij nooit genas. Roerloos bleef hij staan in het dauwdorstig gras en keek de contouren van zijn lijden aan.  De steen verweerd door weer en wind lag lomp zwaar op zijn verloren kind. Daarboven hing nu laag de lucht, grijs gezwollen en vol regenzucht. De man nam zich manmoetig bij elkaar want wist zich voor de overkant niet klaar. Hij trok stroming op, weg van de stad, langs een overgroeit, vergeten pad en zocht in druilend weer naar de eerste glimp van ommekeer. Na een trek vol vergetelheid kwam hij op een plek die los van de moderne tijd haar gang was blijven gaan zodat er een heerlijke wildgroei was ontstaan. Hier in de nabijheid van zijn kind waar echter geen mens hem vindt, zocht hij zich een avondmaal. De eerste maar zeker niet de laatste maal. Eens de wolken leeg en de beek gevuld, sliep de man enkel in het duister van de nacht gehuld.

De aarde draaide richting zon zodat voor de man een nieuwe dag begon. Kil en koud en met beperkte horizon. In het aanpalend kreupelhout werd net een gevecht beslecht om een vrouwtjes bonte specht. Of zoals de man cynisch fantaseerde over het toekomstige hoederecht. Hoe de man ook probeerde, het gif zat in zijn bloed en beïnvloedde voorgoed wat hij dacht. De dag was slechts een struikeling richting nacht. Waar heden en verleden aan stukken werden gesneden tot spijt. Over bewezen zwakheid en schijnbare onomkeerbaarheid. Hij zuchtte en kreunde. Stond recht en steunde tegen een stam die hem zonder beweging te hulp kwam. Vleugellam en met spieren vol pijn vroeg hij zich af waarmee hij toch bezig kon zijn.  Had hij nu echt geloofd dat verdwalen het malen in zijn hoofd kon verslaan? Dat het hielp de weg naar de bron af te gaan? Hij lachte om die gedachte en dat deed hem deugd. Zelfspot was een genot dat hem altijd al het meest had verheugd. Met een grimas zette hij pas richting de beek waar hij naar zichzelf keek en in een oogopslag wist: van deze man werd niet gehouden, deze man werd niet gemist.


De man sleet zijn dagen in onbehagen met zichzelf richting bron te dragen. Het lijf en de leden. Met een reden die hij nauwelijks zelf zag maar waarvan hij hoopte dat ze ergens daar op hem te wachten lag. Rondom hem kon je het stil noemen. Los van het zoemen van de bijen, het elkaar opvrijen van vogels en het klagen van de wind. Hij hoorde daarin het kind dat woordeloos vroeg waarom hij het had gedaan. Waarom het niet meer mocht bestaan van hem. En met doorns in zijn stem antwoordde hij dan de wind dat wie een reden zoekt er altijd wel één vindt. Euforie en blind geluk waren de cocktail voor het dramatisch ongeluk. En dan? Wordt het kind daar nu beter van? Maar de wind was al weer weggevlucht en joeg de woorden uit het hart gelucht als losse bladeren voor zich uit. De schamele buit van een man die gehuld in schuld sinds de bewuste dag voor al wat nog kan resoluut de deuren sluit. Sloot. Want met deze tocht vocht hij zich een weg weg van de dood. Of ernaar toe. Uitgehongerd en moe omarmde hij de leegte die als een mistbank in hem naar boven steeg. Hij wou dat hij dat gedaan kreeg: Gewoon van binnenuit verdwijnen. Of rijmen op een nieuw begin. Terug zin.

Steeds lichter in het hoofd, verdoofd door een hongerig lichaam dat noodgedwongen zichzelf berooft, vorderde hij traag langs de beek die hem eindeloos leek. Zijn gedachten werden altoos week terwijl hij zelfmedelijden als stroop door zijn aderen voelde glijden. Misantroop sinds de dag dat alles voor hem openlag maar ook weer onbarmhartig werd verwoest en hij van mens-zijn niet meer weten moest. Zelfhaat en haat tegen het lot werkten in hem als betonrot dat al sloopt wat ooit als onoverwinnelijk was gedoopt. Zijn verstand wilde wel naar overkant. Rap, slechts één blinde stap, maar zijn benen schenen  onder hem verdwenen. Het zou dus moeten op handen en voeten wilde hij de bron bereiken die net als de horizon nu eens nabij leek en dan weer ging wijken. De man liet de zon in zich stromen die laag tussen bomen hing als een ultieme verleiding om nog vooruit te komen. Traag kroop hij over de takken en de ongemakken heen tot het licht uit de lucht verdween en uit zijn ogen. Gebogen en gekraakt legde hij zich naakt op het koele, tedere mos en liet los.

Brieven aan K

De stilte was Normandisch. Vol houten balken die schots en scheef zuchtten in hun huizen. Vergane glorie die als schimmen door kleine straatjes flaneert en ons een spiegel voorhoudt. We hollen maar. De ondergaande zon achterna in de ijdele hoop ze te kunnen vangen in plaats van ons neer te vlijen en te genieten van hoe mooi ze ondergaat. De zeewind vertelde er verhalen van ver achter de einder en de witte kusten stonden trots en naakt ter verweren. Het was er makkelijk zoeken naar de verloren tijd. Het zomerlicht schilderde haar palet leeg op de zee en de keistranden. Likte aan de zeilboten en het schaamteloos ontblootte vlees. Tot het gevangen werd op het canvas van lokale impressionisten. Normandië heeft met grove penseelstreken trage troost geboden tegen de vuile overvolheid van hier. Troost die gauw weer verpletterd zal worden door de vuilnis van keuzes die uit kortzichtige hebzucht dit tochtgat aan de Noordzee heeft verkruimeld tot een karakterloze puist. Alleen de wolken die erboven drijven verbinden me nog met de schoonheid die in Normandië de regel is. Niet de uitzondering.

woensdag 31 juli 2019

Brieven aan K.

Lieve k,
De lucht hangt er maar wat wezenloos bij. Wolkenloos en vaal van kleur. Een luchtje in mineur. Als een mens na een feest dat intens en blakend is geweest. Nu even rust. De bomen ademen wat trager hun zuurstof uit, motoren brommen een toontje lager en het bloed kruipt dik en log door zijn gangen. Er heerst een lagedrukgebied genaamd vakantie. De bureau’s rondom mij zijn leeg en verzamelen stof voor een nieuw werkjaar. Ik verzamel het afval, de parels en vooral het nietszeggende palet daartussen dat ik hier al die jaren vooral zittend heb geproduceerd. Ik zeef het op zijn waarde zoals een goudzoeker. Niet al waarvan ik dacht dat het goud was, blinkt nu nog. Het was vaker enkel de weerkaatsing van het eigen verlangen. Dat kan, zoals geweten, heel dof eindigen. Hoewel jij en ik gedegen het werk nemen en vriendelijk ons wezen ter beschikking stellen voor wat de arbeidsmarkt verlangt, ligt ons geluk elders. Achter die grijze lucht die de horizon zijn strakke lijn ontneemt. Ons geluk ontbloot zich op het snijpunt van licht en donker, droom en daad, verleden en de dageraad. Zoekend naar schoonheid en gelegenheid. Geuren die zalven en kleuren die afkalven als de zeewind heldendaden van lang geleden verzint. Wij zijn dromers voor het leven die hun leven aan de grijze lucht geven. Maar met een geest die achter de werkelijkheid leest. Ik zal je daar altijd schrijven en het enige wat jij moet doen, is jezelf blijven.
Tot schrijfs,
P.

zondag 28 juli 2019

Brieven aan K.

De ochtend heeft zich al even uit zijn ledikant gehesen en ik loop me het zweet uit de poriën. Langs de kant van de weg ligt een muis. Ik maak een denkbeeldig kruis want over zijn bestaan heeft iets of iemand anders dat reeds gedaan. Wat verder dobbert een zwaan en zoekt naar de zin van haar bestaan met de kop diep onder haar vleugels. Soms is het daar wel degelijk te vinden. Diep in jezelf kijken en daar ligt het dan met een air van ‘Hé ik lig hier al een eeuwigheid hoor, domoor!’. Maar vaker rechten we onze nek zwaangewijs en varen het volle leven tegemoet. Dat laatste was een grapje. We laten ons vooral mee stromen en kiezen wat we denken dat we horen te kiezen. Nu ja, meestal kiezen we om niet te kiezen. Om anderen te laten kiezen. Uit vriendelijkheid. Soms. Uit een gebrek aan moed. Vaker. Want nergens zo’n hekel aan als aan verliezen. En als dat verliezen komt door de keuze van anderen, is dat dragelijker. Door een ander en de natuur te laten kiezen heb ik dan weer drie kinderen. Drie superlatieven. Drie wonderen waar ik direct voor zou kiezen. Maar da’s dus praat achteraf. Dat jij een ik vrienden werden was geen keuze. Dat overkwam ons. Twee zielen die voor elkaar vielen. Maar soms ook over elkaar. Gewonde mensen slaan stoemelings nieuwe wonden. Dat we toch vrienden bléven, was dus wel een keuze. Aan het aantal vrienden te zien, heb ik die keuze slechts weinig gemaakt. En omgekeerd veel anderen ook. Of ze lieten net zoals ik de keuze liever aan de ander. Ondertussen trap ik op mijn adem en bonkt mijn hart dat ik gek ben. Dus ik muis er maar eens vanonder. Soms kiest het lichaam.

zaterdag 27 juli 2019

Brieven aan K.

De begroting is op orde. Zoals een huishouden. Veel weggepropt in kasten in de hoop dat het nooit lijken zullen worden die de neiging ontwikkelen er ongepast weer uit te vallen. Jobs, jobs, jobs. Een mantra. Maar met mantra's voed je de aarde niet die ons moet voeden. Alleen de illusie van beheersing. Maar de achterliggende agenda's zijn ingevuld en het land van morgen wenkt. Met frietjes, bier en beats. Met een zonnebril op regent het zonnestralen. Aan u om hem te dragen of te zagen. In mijn huishouden doen de kasten hun werk en ik heel af en toe het mijne. Zo kruip ik door de velux richting dakgoot waar achter de rand de diepte wenkt. Als een lorelei die zoetjes zoemt dat het in haar armen beter toeven is. Ik klamp me vast aan dakpannen die ontwikkeld zijn om water van te laten glijden en samen met mijn angst, maak ik de richel modder- en naaldenvrij. In de tuin zitten vrouw en kinderen. Eten een ijsje. Likken het leven. Verkrampt wurm ik mij in omgekeerde richting door de velux en blijf er even hangen. Als een slappe handdoek te drogen. Held van de hoogte zal niet meer voor dit leven zijn, maar het huis is klaar voor de najaarstormen. Hopelijk hebben onze stemkannonnen ook hun dakgoot op orde.

Brieven aan K.

Het moet ergens eind jaren tachtig zijn geweest. De grijze grauwheid waarin de heer Martens ons terug in Romeinse cijfers wilde doen tellen en zelfs James Bond de Koude oorlog niet meer verdroeg. Kleurloos want VTM bestond nog niet. De hippies van weleer waren allang vleugellam geslagen en zaten er in gedachten bij als met olie besmeurde meeuwen. De muziek was ziek en wordt sindsdien elektronisch in leven gehouden. De meisjes waren vergeten dat ze wezens met eigen accenten waren en jongens schreven hun eindwerk over mei 68. Nu ja, ik toch. Mijn drang naar escapisme is toen genetisch vastgelegd. Uitdrukkingen als een vreemde eend in de bijt, schreef ik op mijn lijf en natuurlijk Weg met de raketten op mijn pennenzak. Het eerste is gelogen en het tweede deed ik vanwege de perceptie. Want perceptie is alles. En niet de economie zoals die Bill zei die er waarschijnlijk nooit een heeft moeten betalen. In die tijd was ik ervan overtuigd dat ik in alles goed was en in niets echt. Dertig jaar later is dat zowat de enige overtuiging die overeind is gebleven. Niet dat het daarom meer waar zou zijn. Maar in tijden van fake news doet dat er ook niet echt toe. Maar aan het einde van die droevige decade stond ik dus aan het begin van de weg richting volwassenheid. Ik hield meer van Charlie Chaplin dan van Aliens, dus de toekomst was bezwaarlijk mijn kopje thee. Een mens moet gewoon wachten en dan wordt die toekomst vanzelf verleden en kan je ernaar terugverlangen. Of vergeten. Ik heb beide gedaan. Veel vergeten vooral. Maar nooit die film eind jaren tachtig die me eerst deed dromen van kunst. En daarna van bevlogenheid. Om me uiteindelijk heel lang achter te laten met poëzie. Ik dichtte de dagen zonder mezelf af te vragen wat er met de bevlogenheid was gebeurd. Maar sinds kort hoop ik dat ik gauw weer in de spiegel zie dat er niets mooiers is dan de bevlogenheid van Dead Poets Society.

woensdag 9 november 2016

09 november 2016

Buiten woedt november. 
Het is 5 graden voor 12. 
Over het raam glijden 
er tranen. Een oude wind waait.  
Guur maar vertrouwd 
en daarom welkom. 
Zonder antwoorden. 
De zon dimt. Op vraag 
van een meerderheid. 
Klein geluk is geen geluk. 
Dan liever de kraag rechten.
De storm zoeken. 
Om de zwakken weg te blazen.  
Om ruimte te maken 
voor de sterken
 en de uitverkorenen.
Alleen dan
gloort er ooit weer toekomst 
in het avondland. 
Maar eerst moet
daarvoor de zon ondergaan 
in het Westen.

Ik zoek alvast de luwte.
Maak me op voor lange
strenge winter.
Met kaars en bril.
Een uil die
in al die chaos
zien wil.