De beek die babbelend leek maar kabbelend was, sneed hem de
pas en adem af. Aan de andere oever lag het graf van wiens verlies hij nooit
genas. Roerloos bleef hij staan in het dauwdorstig gras en keek de contouren
van zijn lijden aan. De steen verweerd
door weer en wind lag lomp zwaar op zijn verloren kind. Daarboven hing nu laag
de lucht, grijs gezwollen en vol regenzucht. De man nam zich manmoetig bij
elkaar want wist zich voor de overkant niet klaar. Hij trok stroming op, weg
van de stad, langs een overgroeit, vergeten pad en zocht in druilend weer naar
de eerste glimp van ommekeer. Na een trek vol vergetelheid kwam hij op een plek
die los van de moderne tijd haar gang was blijven gaan zodat er een heerlijke wildgroei
was ontstaan. Hier in de nabijheid van zijn kind waar echter geen mens hem vindt,
zocht hij zich een avondmaal. De eerste maar zeker niet de laatste maal. Eens de
wolken leeg en de beek gevuld, sliep de man enkel in het duister van de nacht
gehuld.
De aarde draaide richting zon zodat voor de man een nieuwe
dag begon. Kil en koud en met beperkte horizon. In het aanpalend kreupelhout
werd net een gevecht beslecht om een vrouwtjes bonte specht. Of zoals de man
cynisch fantaseerde over het toekomstige hoederecht. Hoe de man ook probeerde,
het gif zat in zijn bloed en beïnvloedde voorgoed wat hij dacht. De dag was slechts
een struikeling richting nacht. Waar heden en verleden aan stukken werden
gesneden tot spijt. Over bewezen zwakheid en schijnbare onomkeerbaarheid. Hij
zuchtte en kreunde. Stond recht en steunde tegen een stam die hem zonder beweging
te hulp kwam. Vleugellam en met spieren vol pijn vroeg hij zich af waarmee hij toch
bezig kon zijn. Had hij nu echt geloofd
dat verdwalen het malen in zijn hoofd kon verslaan? Dat het hielp de weg naar
de bron af te gaan? Hij lachte om die gedachte en dat deed hem deugd. Zelfspot
was een genot dat hem altijd al het meest had verheugd. Met een grimas zette
hij pas richting de beek waar hij naar zichzelf keek en in een oogopslag wist:
van deze man werd niet gehouden, deze man werd niet gemist.
De man sleet zijn dagen in onbehagen met zichzelf richting bron te dragen. Het lijf en de leden. Met een reden die hij nauwelijks zelf zag maar waarvan hij hoopte dat ze ergens daar op hem te wachten lag. Rondom hem kon je het stil noemen. Los van het zoemen van de bijen, het elkaar opvrijen van vogels en het klagen van de wind. Hij hoorde daarin het kind dat woordeloos vroeg waarom hij het had gedaan. Waarom het niet meer mocht bestaan van hem. En met doorns in zijn stem antwoordde hij dan de wind dat wie een reden zoekt er altijd wel één vindt. Euforie en blind geluk waren de cocktail voor het dramatisch ongeluk. En dan? Wordt het kind daar nu beter van? Maar de wind was al weer weggevlucht en joeg de woorden uit het hart gelucht als losse bladeren voor zich uit. De schamele buit van een man die gehuld in schuld sinds de bewuste dag voor al wat nog kan resoluut de deuren sluit. Sloot. Want met deze tocht vocht hij zich een weg weg van de dood. Of ernaar toe. Uitgehongerd en moe omarmde hij de leegte die als een mistbank in hem naar boven steeg. Hij wou dat hij dat gedaan kreeg: Gewoon van binnenuit verdwijnen. Of rijmen op een nieuw begin. Terug zin.
Steeds lichter in het hoofd, verdoofd door een hongerig lichaam dat noodgedwongen zichzelf berooft, vorderde hij traag langs de beek die hem eindeloos leek. Zijn gedachten werden altoos week terwijl hij zelfmedelijden als stroop door zijn aderen voelde glijden. Misantroop sinds de dag dat alles voor hem openlag maar ook weer onbarmhartig werd verwoest en hij van mens-zijn niet meer weten moest. Zelfhaat en haat tegen het lot werkten in hem als betonrot dat al sloopt wat ooit als onoverwinnelijk was gedoopt. Zijn verstand wilde wel naar overkant. Rap, slechts één blinde stap, maar zijn benen schenen onder hem verdwenen. Het zou dus moeten op handen en voeten wilde hij de bron bereiken die net als de horizon nu eens nabij leek en dan weer ging wijken. De man liet de zon in zich stromen die laag tussen bomen hing als een ultieme verleiding om nog vooruit te komen. Traag kroop hij over de takken en de ongemakken heen tot het licht uit de lucht verdween en uit zijn ogen. Gebogen en gekraakt legde hij zich naakt op het koele, tedere mos en liet los.
De man sleet zijn dagen in onbehagen met zichzelf richting bron te dragen. Het lijf en de leden. Met een reden die hij nauwelijks zelf zag maar waarvan hij hoopte dat ze ergens daar op hem te wachten lag. Rondom hem kon je het stil noemen. Los van het zoemen van de bijen, het elkaar opvrijen van vogels en het klagen van de wind. Hij hoorde daarin het kind dat woordeloos vroeg waarom hij het had gedaan. Waarom het niet meer mocht bestaan van hem. En met doorns in zijn stem antwoordde hij dan de wind dat wie een reden zoekt er altijd wel één vindt. Euforie en blind geluk waren de cocktail voor het dramatisch ongeluk. En dan? Wordt het kind daar nu beter van? Maar de wind was al weer weggevlucht en joeg de woorden uit het hart gelucht als losse bladeren voor zich uit. De schamele buit van een man die gehuld in schuld sinds de bewuste dag voor al wat nog kan resoluut de deuren sluit. Sloot. Want met deze tocht vocht hij zich een weg weg van de dood. Of ernaar toe. Uitgehongerd en moe omarmde hij de leegte die als een mistbank in hem naar boven steeg. Hij wou dat hij dat gedaan kreeg: Gewoon van binnenuit verdwijnen. Of rijmen op een nieuw begin. Terug zin.
Steeds lichter in het hoofd, verdoofd door een hongerig lichaam dat noodgedwongen zichzelf berooft, vorderde hij traag langs de beek die hem eindeloos leek. Zijn gedachten werden altoos week terwijl hij zelfmedelijden als stroop door zijn aderen voelde glijden. Misantroop sinds de dag dat alles voor hem openlag maar ook weer onbarmhartig werd verwoest en hij van mens-zijn niet meer weten moest. Zelfhaat en haat tegen het lot werkten in hem als betonrot dat al sloopt wat ooit als onoverwinnelijk was gedoopt. Zijn verstand wilde wel naar overkant. Rap, slechts één blinde stap, maar zijn benen schenen onder hem verdwenen. Het zou dus moeten op handen en voeten wilde hij de bron bereiken die net als de horizon nu eens nabij leek en dan weer ging wijken. De man liet de zon in zich stromen die laag tussen bomen hing als een ultieme verleiding om nog vooruit te komen. Traag kroop hij over de takken en de ongemakken heen tot het licht uit de lucht verdween en uit zijn ogen. Gebogen en gekraakt legde hij zich naakt op het koele, tedere mos en liet los.