zaterdag 27 juli 2019

Brieven aan K.

Het moet ergens eind jaren tachtig zijn geweest. De grijze grauwheid waarin de heer Martens ons terug in Romeinse cijfers wilde doen tellen en zelfs James Bond de Koude oorlog niet meer verdroeg. Kleurloos want VTM bestond nog niet. De hippies van weleer waren allang vleugellam geslagen en zaten er in gedachten bij als met olie besmeurde meeuwen. De muziek was ziek en wordt sindsdien elektronisch in leven gehouden. De meisjes waren vergeten dat ze wezens met eigen accenten waren en jongens schreven hun eindwerk over mei 68. Nu ja, ik toch. Mijn drang naar escapisme is toen genetisch vastgelegd. Uitdrukkingen als een vreemde eend in de bijt, schreef ik op mijn lijf en natuurlijk Weg met de raketten op mijn pennenzak. Het eerste is gelogen en het tweede deed ik vanwege de perceptie. Want perceptie is alles. En niet de economie zoals die Bill zei die er waarschijnlijk nooit een heeft moeten betalen. In die tijd was ik ervan overtuigd dat ik in alles goed was en in niets echt. Dertig jaar later is dat zowat de enige overtuiging die overeind is gebleven. Niet dat het daarom meer waar zou zijn. Maar in tijden van fake news doet dat er ook niet echt toe. Maar aan het einde van die droevige decade stond ik dus aan het begin van de weg richting volwassenheid. Ik hield meer van Charlie Chaplin dan van Aliens, dus de toekomst was bezwaarlijk mijn kopje thee. Een mens moet gewoon wachten en dan wordt die toekomst vanzelf verleden en kan je ernaar terugverlangen. Of vergeten. Ik heb beide gedaan. Veel vergeten vooral. Maar nooit die film eind jaren tachtig die me eerst deed dromen van kunst. En daarna van bevlogenheid. Om me uiteindelijk heel lang achter te laten met poëzie. Ik dichtte de dagen zonder mezelf af te vragen wat er met de bevlogenheid was gebeurd. Maar sinds kort hoop ik dat ik gauw weer in de spiegel zie dat er niets mooiers is dan de bevlogenheid van Dead Poets Society.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten