In de zinderende namiddaguren ligt het park van Tervuren er te verzadigd bij. De lucht te blauw, het gras te groen en de vijvers te vredig zij aan zij. En alsof horend tot het toeristisch beleid zien we her en der verspreid koppeltjes bij elkaar. Het ene paar nog onstuimig jong en anderen frivool grijs, maar allen liggend lip aan lip of Bart Peerterskesgewijs. De wind wil nog wel koelen maar de handen zijn hongerig en voelen zich onaantastbaar. Ze staan allen voor het park te kijk maar worden rondom niet langer meer gewaar. Kikkers kwaken dat ze prinsen zijn of zelfs bezitters van een gouden bal. Witte zwanen rechten hautain de hals, want de meeste kikkers kwaken vals en geen deerne die hen kussen zal. Wat verder in te groene gras en onder het te blauwe blauw ligt een jonge vrouw op haar zij en heel alleen. Alsof er ooit wel een lepeltje was geweest dat er plots genoeg van had en dan maar met een diepe zucht verdween. Haar ogen zijn toe als geloken jaloezieën, haar armen omringen de lichtjes opgetrokken knieën en haar haren laten zich versieren door de schaamteloze wind. Ze slaapt de slaap der onschuldigen, kwetsbaar en onbevangen als een kind. Ze is ergens ver weg, waar enkel dromen kunnen komen. Rondom zuchten er bomen en aan haar voeten stroelt het water alsof het zeggen wil: geef je, geef je over, al de rest kan evengoed nog later. De lente is haar deken en het park haar ledikant. Ik heb slechts vluchtig naar haar gekeken, maar een vertedering lang was zij de mooiste van het land.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten